Ingedeeld onder: kinderdagverblijf | Tags: Abraham Kuijper, ambtenaar, arts, Bambi, Dikkie Dik, Fabeltjeskrant, kinderdagverblijf, Majoor Bosschardt, My little pony, negen-tot-vijfmentaliteit, spaghetti, Thomas Gordon, troetelbeertjes, volkorenbiscuitjes, WF Hermans

Maak kennis met Bambi. Ik weet niet waarom kinderdagverblijven van die achterlijke namen hebben. Bambi, My little pony, de Troetelbeertjes, ie twee honden die spaghetti naar elkaar toe eten: ik heb er nooit iets mee gehad. En nu dit, ik krijg het m’n strot nauwelijks uit. Ik heb een poosje gezocht naar dagverblijven met namen als W.F. Hermans, Abraham Kuijper of Majoor Bosschardt, maar ik stuitte alleen maar op Schanulleke, Dikkie Dik, Doornroosje (vlak naast een coffeeshop), Chris de Walvis en een heel arsenaal uit de Fabeltjeskrant. Dus schreven we ons maar in bij Bambi, Saartje en Hummeltje.
Vanochtend zo tegen achten bedacht ik plotseling dat ik om negen uur met Nathan bij Bambi moest zijn. De allereerste keer. Ik zie zijn dagen bij het KDV als zijn werkdag. We proppen hem al vast in een negen-tot-vijfmentaliteit. Dan kan ‘ie in elk geval nog altijd ambtenaar worden als ‘m verder niks lukt (ooooh!).
Om precies twintig minuten over negen stond ik veel te laat bij het dagverblijf. De eerste geruststelling was dat ik me eerst via een bel moest melden alvorens ik binnen kon komen. Dus noemde ik keurig namen en rugnummers en kreeg ik via de zoemer toestemming om door te lopen. We hobbelden een trap op, tig traphekjes en andere afzettingen door en struikelden de chaos van babyhapjes, biscuitjes en lekkende flessen in. Twee wipstoelen met inhoud, een snottebellerig Emmaatje en een snotterende Tycho, krijsende baby Geert en een Ralph Lauren polo waar Pepijn ergens in verstopt zat. En nog wat losse baby’s die veilig achter een deur in stapelledikantjes lagen te slapen. Gezelligheid troef.
Ergens in het midden van dat troepje kindertjes ontwaarde ik twee volwassenen die me enthousiast begroetten. Wat mij een wonder leek in de toestand waarin ik hen aantrof. Hoe, en ik herhaal het, hoe kon ik ooit nóg een kind bij hen achterlaten? Vanaf een uur of acht had ik me een beetje snotterig gevoeld omdat ik het echt heel erg zielig voor Nathan vond om hem in z’n uppie achter te laten. Nu barstte ik bijna in huilen uit vanwege het medelijden dat ik met deze twee dames voelde. Die er nóg eentje bij kregen. Maar ze leken er helemaal niet onder te lijden, want er werd zelfs koffie voor me gezet.
Dus nam ik plaats op de bank, naast een opbergbox met grint en groenig water. Met Nathan op schoot die al snel ontdekte dat er in de box twee vissen aan survivalsport deden. Nadat de twee wipstoelbewoners hun bed in waren gebonjourd begon de intake met de aandachtleidster (!). Nieuw woord, ze observeert Nathan en slaat alarm als z’n gedrag abnormaal blijkt. Het kind in kwestie was inmiddels in geen velden of wegen meer te bekennen.
De nummers bij calamiteiten, het nummer van de huisarts, z’n zorgpolis, z’n burgerservicenummer, allergieën, z’n eet- en slaapschema, z’n gedrag, z’n leuke kanten, z’n minder leuke kanten, alles kwam aan bod. Een krabbel voor uitstapjes in de bolderkar, een rondleiding door de chaos, een gepersonaliseerde blauwe opbergbox voor reserverkleren en een grote antiluizenzak waar z’n jas elke dag in opgeborgen wordt. Pedagogisch verantwoord volgens de allerlaatste ideeën van Thomas Gordon, waar ik morgen maar meteen een boek van ga kopen. Het kan geen kwaad om me een beetje in te lezen.
Twee uren nadat ik was binnengeloodst viste ik een blèrend kind uit een trapauto en struikelden we de chaos weer door richting auto. Tycho en Emma zwaaiden ons uit en de eerste baby´s vroegen al weer om hulp. Over twee weken gaan we weer en dan laat ik ‘m echt achter. Tenzij Thomas Gordon het niet allemaal op een rijtje heeft natuurlijk. Maar vandaag kwam ik opgelucht thuis. Als film mag Bambi dan “de biggest crying movie of all time” (citaat Steven Spielberg) zijn, maar ik denk dat het helemaal goed gaat komen!
Ingedeeld onder: baby, kinderen, moederschap, ouderschap | Tags: Anita, arts, bijtringen, consultatiebureau, instituut, kinderen, kroost, Ondiep, ouders, rammelaars, ruzie, spreekuur, volkorenbiscuitjes, wijkverpleegkundige
Ik maak hier maar een deel 1 van, omdat het bezoekje van gisteren veel beloofde voor de volgende bezoekjes. Er komt in de toekomst vast nog een deel 2 en deel 3. Vandaag dus het eerste bezoek aan het consultatiebureau. Wat een belevenis.
Het consultatiebureau zit in een oude school. In de gang staat een file kinderwagens. Het instituut zelf is een doodenge ruimte vergelijkbaar met het speellokaal van mijn oude basisschool. Achter een bureautje zit een hooggeblondeerde Anita en achter en op de tafeltjes en stoeltjes zitten ouders tegen kinderen te pruttelen. Of rennen, springen en huppelen achter het kroost aan dat hen volkomen negeert. Verder staren de ouders een beetje naar elkaar en elkaars kinderen, staren de kinderen wat naar elkaar en naar kleurvlakken op de muur en als er één begint te brullen gaat het als een soort van wave door de ruimte. De rammelaars en bijtringen gaan van mond tot mond.
Het begon een beetje stroef. Toen ik binnenkwam werd ik door die Anita begroet met ‘Neten?’. Ik snapte er niks van, dus zei ik maar ‘nee’ en liep door. Maar ze keek me nogal streng aan en toen bleek dat ze Nathan op een soort van Engels uitsprak. Daarna werd ze pissig omdat Nathan als Pieter geregistreerd staat en het had maar weinig gescheeld of Nathans roepnaam was door haar persoonlijk gewijzigd in Pieter. Omdat dat z’n eerste naam is. Tja, praktisch is anders, dat snappen wij ook, maar we gaan er wel zelf over.
Nathan mocht uit z’n kleren en gewogen en gemeten worden. “De arts komt je zo halen”. Het spreekuur liep een uur uit. Dus was ik in plaats van 14.45 om 15.45 aan de beurt. Nathan houdt niet zo van bloot zijn dus dit was een dieptepunt in de vier weken dat hij er nu is. Wachten heeft twee kanten. Enerzijds is het heel naar, maar anderzijds biedt het weer voldoende aanknopingspunten om zo’n blog te schrijven.
Een onguur uitziend mannetje met een roze babydochtertje maakte ruzie met de Anita. Of eigenlijk andersom. De Anita maakte ruzie met hem. Omdat er iets niet klopte met de vaccinaties. Maat die fout had ze zelf gemaakt. Het ongure mannetje aan de ene kant van de zaal, de Anita aan de andere kant en zo brulden ze over de hoofden van de ouders en de kindertjes heen. En zo staarden we even niet naar elkaar, maar naar het ongure mannetje en de Anita. Fijn, die afleiding.
Daarna kwam er een gezinnetje binnen dat er pas volgende week hoefde te zijn. Dat had de Anita telefonisch niet goed doorgegeven. Er kon nog net een sorry van af, maar echt menen deed ze het geloof ik niet. Pa en ma hadden net beiden een vrije dag genomen om de eerste vaccinatie te kunnen fotograferen en filmen en weet ik wat allemaal, maar nu moeten ze volgende week weer een vakantiedag opnemen. Dankzij de Anita, die verder ging met het vijlen van haar nagels. De wijkverpleegkundige, die beter bekend staat als de WV, kwam haar afleiden met een rol volkorenbiscuitjes en daar leuterden ze tien minuten over. Zodat haar spreekuur ook weer tien minuten uitliep.
En er kwam een krakerstypetje dat op de Anita inhakte en zo bleef het nog een enerverende middag. Haar afspraken klopten ook niet, maar zij hakte er meteen met de botte bijl op in en dat had succes. De Anita ondernam iets sneller actie en het was duidelijk dat ze onder druk toch wel in de gaten kreeg dat die computercursus misschien nog niet zo’n gek idee was.
“Moeder van Neten, wat duurt het lang hè?” zei ze met een wat vermoeide stem. Of ze had een chronisch gebrek aan energie of het interesseerde haar echt niet. “Geeft niet, ik heb nog tot 8 juli verlof en ik heb tot die tijd voldoende voeding bij me”. Het beste antwoord dat ik kon geven. Er waren ook nog wat Ondiepse moeders die luidruchtig verkondigden dat het er altijd zo aan toe ging. Waar de Anita gewoon bij was. En dat ik bij de volgende afspraak gerust een half uur later kon komen. De Anita vijlde lekker door.
Toen kwam eindelijk de arts binnen om ons uit die ruimte te bevrijden. De arts vroeg, alsof ze alle kennis van de wereld had ontvangen, of ik nog vragen had. Maar al gauw bleek dat ze ’s ochtends maar één soort antwoord had geactiveerd: ”Ja, dat zul je gewoon moeten uitvinden.” En echt dringende vragen als ‘waarom zitten er broekzakken in een babybroek’ heb ik maar achterwege gelaten want dat kan ik dan ook wel zelf uitvinden.
Toen liet de arts ons weer gaan en mocht Nathan eindelijk z’n kleren weer aan. En kon ik het niet laten om de afspraak die ik al voor half juni had staan nog even te verzetten. Gewoon om het de Anita nog even lastig te maken. En dat was het ook, want ze moest er nog flink wat voor uit de kast halen, waaronder de WV die nog steeds op haar volkorenbiscuitjes knabbelde.
Op de terugweg zag ik drie kinderen zand in een rode brievenbus scheppen. Dat krijg je van zulke consultatiebureaus en Anita’s. Ik sprak hen streng toe en toen leegden ze hun handen vol nieuw zand op de stoep. Iemand moet toch de verantwoordelijkheid nemen voor de kindertjes uit Ondiep. Vanochtend lag de telefooncel weer aan diggelen. Misschien was dat zand in die brievenbus toch beter tijdverdrijf geweest.