Driftbui

We staan hier onder continue dreiging van een driftbui. Een rommelende vulkaan met een dagelijkse garantie op uitbarsten. ‘s Ochtends om zeven uur stijgen er al rookwolken uit ons rampje. De aanleiding is zo klein als het rampje zelf: z’n kleren. We hebben een ijdeltuit geproduceerd.

Luiers: alleen broekjes met Bob de Bouwer (dat is Pampers Easy Up) met een zaag aan de voorkant en een hond aan de achterkant. Daarmee kun je dus de helft van het pak op zolder zetten en hopen dat Jonas hier niet mee behept is.

Onderbroeken: niet die met de letters. “Vind ik niet mooi.” (Geldt ook voor hemdjes, maar bij voorkeur geen hemd. Geen halszaak trouwens. Voor de afwisseling in het ochtendprogramma doen we er wel eens een hemd in. Om ook iets van positieve feedback te ontvangen.) In elk geval niet de onderbroek die ik voorstel.

Broek: een “voetbalbroek”. Dat is een joggingbroek die twee maten te groot is. Een mooi exemplaar, maar op de groei gekocht. Als de voetbalbroek niet beschikbaar is, dan is de keuze afhankelijk van zijn eigen energiepeil en onze dreigementen. Het mag af en toe een spijkerbroek zijn, maar dan niet die van de Hema. “Is voor Jonas.” Een voor hem acceptabel exemplaar is een gruwelijk lelijke verwassen spijkerbroek die uit een kledingzak is gekomen die al twintig jaar door mijn familie dwaalt. Misschien heeft ’ie een vooruitziende blik en wordt dit gauw weer mode, maar dan trek ik een boerka aan voor we de deur uit gaan.

Korte broek: twee exemplaren die hij zelf heeft uitgezocht. Ik was ten einde raad. Het zijn eigenlijk heel leuke exemplaren. Maar in geen geval de korte broek die ik voorzichtig uitkies.

Bovenkleding: een “voetbalshirt” of een “shirt met mijn letter”. Wat een voetbalshirt is, kan per dag verschillen, maar het is in elk geval nooit het shirt dat ik voorstel.

Sokken: kniekousen, ook bij buitentemp +30 graden. Opgetrokken tot óver de knie. Nooit de kniekousen die ik gepakt heb. Pyama: niet de variant die ik in m’n handen heb. Zwembroek: niet die ik in de tas heb gestopt. Jas: een bodywarmer als ik de jas pak en andersom. Schoenen: “niet de gympen, vind ik niet moo-hooi”, rechts aan de linkervoet, links aan de rechtervoet, tenzij ik het zo voorschrijf. “Wil je apenvoeten?” “Nee-hee, bananenvoeten!”

Af en toe verontschuldig ik me bij het kinderdagverblijf voor z’n kledingstijl. Een melding bij het AMK heb je tenslotte maar zo aan je broek hangen. Voor de duidelijkheid: dit is geen geval van slappe-opvoeder-die zich-de-les-laten-lezen-door-een-peuter. Het is geen geval ‘Kom uit die regenplas’. Het is gewoon een ongewoon koppig en eigenzinnig exemplaar en nu we dat weten schrijven we dagelijks een paragraaf in z’n handleiding. Te beginnen met deze inleiding. Bleeegh, het is al weer bijna ochtend.

Sleutelkinderen

Er stuiteren twee jongetjes door de bibliotheek. Ze denderen over de rubberen speelblokken, rollen over de grond en springen op stoelen. “O, sorry, deed het pijn?” “O, neuh.” En daar gaan ze weer. De denkrimpels achter de balie worden steeds dieper en af en toe grijpen de dames in. Nathan durft het niet aan om dichterbij te komen. Ik vraag me af waar de moeder is, zodat die kan ingrijpen, maar er komt een man bij die de jongens vraagt om wat rustiger te worden. Net als ik denk dat het de vader van de jongens is, komt een bibliotheekmedewerkster me vertellen hoe de vork in de steel zit.

De blonde koppies zitten al maanden elke middag na schooltijd in de bibliotheek. Ik schat ze negen, tien jaar oud. Geen broertjes, vriendjes van elkaar. Hun ouders werken tot acht uur ´s avonds, maar ze hebben een sleutel van huis. Als de bibliotheek dichtgaat, zijn ze de laatsten die vetrekken. De school weet ervan af, maar doet er verder niks mee. De bibliotheek weet niet wat nu te doen. En naar jeugdzorg vindt de bibliotheekmevrouw te ver gaan.

Maar ik vind het een raar verhaal en het houdt me nogal bezig.

Stabat mater

Nathan en ik zingen veel. Maar na Olifantje in het bos, In de maneschijn en Dikkertje Dap (ROETSJ BOEM AU) ben ik toe aan een niveautje hoger. Dus zing ik momenteel wat delen uit de Mattheus Passion, wat Engelse hymnes en het Stabat Mater. Maar waar komt toch die verontwaardiging van Nathan vandaan als ik het zevende deel van het Stabat Mater zing?

Sancta mater, istud agas,
Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide.
Tui nati vulnerati
Tam dignati pro me pati,
Poenas mecum divide!

Jaaa, roept ‘ie eerst. En dan ja-haa mama. Sinds vandaag ben ik erachter. Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Hij denkt gewoon dat ik hem roep, onze Nathie. Grappig.

Avond

Nathan valt al tijdens het eten in slaap. Zelf heeft ‘ie nog geen hap gehad, maar Jonas en ik zijn net begonnen. Ergens tussen stoel en grond vang ik ‘m op. Om kwart voor zes al één kind in bed, wat een luxe! Een half uur later ligt Jonas ook, mijn avond begin vandaag al om kwart over zes.

Anderhalf uur later is het gedaan met de rust. Nathan heeft een intensieve opleving ervaren en besluit dat dit een prima middagslaap was. Hij heeft trek en heeft twee boterhammen nodig. Met kaas en met pindakaas. “Allebei.” Ik neem ‘m maar mee naar beneden, want hij zal inderdaad wel trek hebben. Ik smeer de twee boterhammen, snij er heel verantwoord nog komkommer, olijfjes en kerstomaatjes bij, terwijl Nathan zich de bank toeëigent: “Televisie aan hè mammie?” De slijmmodus staat aan: het is mammie dit en mammaatje dat. Het stukje avond voor mezelf kan wel eens korter worden dan ik dacht.

Voor Nathan zijn dit prima uren. Een exclusief avondje met je moeder op de bank, mét de tv aan. Ik waarschuw nog dat er op dit tijdstip alleen nog maar programma’s voor grote mensen op tv zijn. Maar Nathan heeft, met de afstandsbedieing in z’n handen, z’n oog laten vallen op De Centrale Huisartsenpost op Nederland 1. Er ligt een leeftijdgenootje van ‘m met een kapotte lip op de onderzoekstafel en het ziet er zelfs zonder lenzen gruwelijk uit. Het kind huilt en Nathan ziet het met grote ogen aan. Ik ruik mijn kans, als we dit programma laten staan zou ‘ie wel eens eerder boven kunnen liggen dan het zich nu laat aanzien. Aan de andere kant zou ‘ie er een slechte nacht van kunnen hebben, maar dat risico loop ik graag een keer.

“Kijk mammie, is kapot.” Nathan analyseert van handeling tot handeling: Doet zeer hè? Doet de dokter nou? Kindje huilen. Hoeft toch niet hè mammie? Nathan niet bang toch? O, kijk! Gaat het maken! Jaaa, gemaakt mammie! Heeft die mevrouw nou? Kan niet zien? Heeft die meneer? Kan toch niet zonder schoenen buiten? Hahahaha, dat kan toch niet. Sokken vies. Nieuwe kopen hè mammie? Doet die dokter nou? Zere vinger toch. Gaat ‘ie een pleister maken? Moet een kusje op toch? O, klaar. Doe-doei, tot vanmiddag. Ga maar naar huis. Doe-hoeg. Nu Elmo kijken hè mammaatje?

Hmm, het levert niet het door mij gewenste effect en om kwart over acht vind ik het genoeg geweest. Ik breng ‘m onder luid protest naar boven. Terwijl ik op de bank zit, haalt Nathan onder luid indianengehuil halsbrekende toeren uit bij het traphekje. Ik vrees dat we vanavond ook nog een beroep gaan doen op de huisartsenpost. KP belt om kwart voor negen en hoort Nathan brullen. Ik ben er stoïcijns onder, maar KP vindt dat ik even moet gaan buurten boven. Dus zit ik tot over negenen boven te kletsen over koetjes en kalfjes, en tepeltjes en naveltjes, en tenen en vingers, over de zaadjes die we in de tuin hebben geplant, over z’n nieuwe tuingieter, over laarsjes, over tante Jetty’s boerderij, over bang zijn voor honden, lekkere boterhammen en vieze snottebellenkusjes. En dan eindelijk legt ‘ie zich er bij neer en vertrek ik naar beneden om een blog te schrijven.

Maar nu hoor ik Jonas. Ggggrrrrrrroommm.

Tante K.

Ik zoek m’n bestekla na op niet-verboden steekwapens. Aardappelschilmesjes zijn te slap en steken niet ver genoeg. De pastalepel is een fijn alternatief, die komt ook niet lekker op iemands hersenpan neer als je daar flink mee uithaalt. Nadeel: die past niet in een handtas. Ik moet op zoek naar iets hand(tas)zamers. Nathans vork kan ook desastreuze gevolgen hebben, maar daar staat z’n naam in gegraveerd. Van z’n grootouders gekregen, dus jammer als die als moordwapen wordt geïdentificeerd. Op momenten als vandaag mis ik een vleesvork, maar ik vind een pincet.

Ik bedenk zelf ook het bizarre ervan, maar dat telt minder dan de functie. Ik heb twee zestienjarige meiden onder m’n hoede en vanavond gaan ze samen de stad U. in. Mijn zus heeft mij haar dochter in vertrouwen te leen gegeven en ze zou een vleesvork gebruiken als ze zou weten dat ik haar vlees en bloed vanavond samen met een vriendin de stad in heb laten gaan. Maar ja, ik ben haar moeder niet en als ik mijn nichtje moet geloven dan vindt haar moeder het prima zolang ze het maar niet weet. Dat klinkt mij onlogisch, maar zeer aannemelijk in m’n oren. Dus mogen ze van ons gaan.

KP en ik gooien ze om de beurt een advies toe. Goed je drankje in de gaten houden, hoor. Heb je iets om iemand mee in z’n ogen te sprayen? O, deodorant? Prima. Heb je een pen bij je, je weet nooit waar je die voor kunt gebruiken. Geen telefoonnummers afgeven aan wildvreemden. Alleen drankjes aannemen als je ze rechtstreeks van de bar ziet komen. Moet ik jullie wegbrengen? Ophalen? Heb je ons nummer? Bel als er wat is. Nou, liever ook als er niks is. Waar is die pincet? Kun je die in een keer pakken als er wat is? Waar gaan jullie eigenlijk heen? En daarna? Hoe laat komen jullie thuis? Heb je de sleutels? Ik wil jullie echt wel halen hoor. Zeker weten? Ok dan… Wat kunnen we nog meer doen?

Ik heb Em gevraagd naar de beste plekken om als zestienjarige uit te gaan en me ervan verzekerd dat ze niet op een zekere apenrots gaan staan dansen. Ze zijn zonet de deur uit gestapt en nu is het maar gewoon afwachten tot ze er weer zijn. Het zijn geen breezersletjes en geen comazuipers. Eigenlijk zijn ze los goed vertrouwd. Ze doen gymnasium, hoewel dat geen garantie is. Maar ze hebben hun intelligentie in hun hoofd zitten en dat stelt gerust. Wat is het leven mooi als je zestien bent.

Het rare is dat KP en ik deze avond samen al uit eten zijn geweest. Waar onze avond uit eindigt, begint die van hen. Daar merk je al aan dat er een fase in je leven voorbij is. Het beste argument om ze te laten gaan is dan ook dat het leven mooi is als je zestien bent. Ik ga als christen uit van het principe een ander te behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Dus mogen ze van mij deze angstaanjagende stad in, met loverboys, rellende vechtmeisjes en ander gespuis. Maar ik doe waarschijnlijk geen oog dicht en m’n zus ook niet als ze dit leest. Sorry Jet. Maar ze willen morgenochtend wel gewoon mee naar de kerk. Zonder druk. Kan ik het daar weer een beetje mee goedmaken?

Neeneeneeneenebukadnezar

Vandaag het peuterbureau voor het eerst bezocht. Voor het eerst is natuurlijk een onzinnige toevoeging, want het is gewoon het consultatiebureau met dezelfde dame die Jonas ook controleert. Maar omdat Nathan nu twee is en officieel een peuter is, is het consultatiebureau getransformeerd naar peuterbureau. Het is boeiend om te onderzoeken wat daar nu de reden voor is. Het is misschien iets psychologisch. Daar moet ik nog wat verder over nadenken.

Van tevoren namen KP en ik een lijstje door van goede en slechte opmerkingen. Het is goed om te zeggen dat hij zinnen van twee woorden kan zeggen, en woorden van minstens zes lettergrepen. En dat ‘ie weet wat een bloeddrukmeter is. Dat ’ie elke dag zeurt om kiwi’s en bananen en niet naar koekjes taalt. Dat ‘ie dagelijks twee glazen melk drinkt en voor de rest alleen maar water krijgt. En roosvicee alleen als er iemand jarig is. Dat het feest is als er een rijstwafel ter tafel komt. Dat ‘ie nooit tv kijkt. Dat ‘ ie het liefst de hele dag blokkentorens bouwt. Dat ‘ie erg veel contact legt met andere kinderen. Dat ‘ie op een been kan staan.

Het lijstje met dingen die je niet moet zeggen is minstens zo lang. Het is bijvoorbeeld niet goed om te zeggen dat ‘ie af en toe overdag nog een speen in krijgt omdat ‘ ie anders niet te temmen is. Het is niet goed om te zeggen dat we maar een keer per dag tandenpoetsen. Of dat we regelmatig vitamine D vergeten. Dat ‘ie bij de koelkast al jengelt om appelsap en dat we dat dan compromisloos geven. Dat onze keukenla uitpuilt van de Nijntje-, Dora-, Bob de Bouwer-  en Spongebobkoekjes. Dat we hem achter de laptop zetten met een Bob de Bouwer-dvd als ‘ ie ‘s ochtends om 5 uur ‘wakker’  roepend bij ons bed staat. ‘ Wakker’  is trouwens zo’n abstract begrip dat het wel weer goed is om dat te vermelden.

Maar het allerdomste zou zijn om te vertellen dat ‘ie Elly & Rikkert, Hanna Lam en Taize (Veni Creator Spiritus: ‘toeoeoeoeos’) mee kan zingen. Ja meezingen, dat is prima. Maar dan niet met dat geestelijke repertoire, want dan wekken we de indruk dat het kind een niet-neutrale opvoeding krijgt en voor je het weet staat ‘ ie dan onder toezicht van Jeugdzorg. Dus ‘neenee’ zeggen is heel gezond, maar ‘neeneeneenebukadnezar’ mag dan een hele volzin zijn voor eentje van twee en zeker zes lettergrepen hebben, maar het is wel zeer kwalijk voor zijn verdere ontwikkeling.

Wasstraat

In de categorie ‘Wat je beter niet kunt doen met een dreumes’ de volgende: de wasstraat nemen. Nooit over nagedacht natuurlijk dus reed ik vanmiddag gedachteloos de wasstraat in. Bij fase 1 hoorde ik al wat licht gejammer op de achterbank. (Twee wasstraatwassers die de auto natsproeiden en inzeepten.) Toen begon ik me al af te vragen hoe we het einde van de wasstraat zouden halen. Bij de tweede fase met die grote borstels was het hek van de dam. Logisch.

Het is bespottelijk wat je allemaal verzint om een kind gerust te stellen. “De auto gaat even douchen. Net als jij wel eens gaat douchen. Kijk, lekker shampoo op de auto, even inzepen, net als met jouw haartjes. Nu wordt de auto weer lekker schoon gespoeld. Allemaal water erover. Nog meer water, nog meer water. En nu weer lekker zeep erover en onder de douche. Kijk: grote borstels. Die gaan de auto goed wassen. Zeg, zie jij ook ergens koeien? Of een paard? Hee, wat zegt het varken eigenlijk? Nu met de föhn afdrogen. Zie je? Al het water wordt er afgehaald. Daar, een rood verkeerslicht. Nog steeds rood, nog steeds rood. Nu moeten we wachten. Nog steeds rood. Let op: als ‘ie groen wordt mogen we doorrijden. Jaaaaaa, we mogen doorrijden. Wat is de auto lekker schoon!’

Nathan bleef maar om z’n vader jammeren. Ik maak me op voor een gebroken nachtje. Jammer.

Kraamspionage

Kraamzorg vraag je zelf aan. Als je het namelijk niet wil, dan hoeft het ook helemaal niet. Kraamzussen die zich opdringen bestaan gewoonweg niet. Zodra je bevallen bent krijg je geen hordes kraamzussen bij je bed die je de komende acht dagen niet meer bij je weg kunt slaan. Kraamzorg werkt op verzoek en daar kan de GG&GD nog iets van leren.

Zelfs als je de GG&GD smeekt om niet te komen dan komen ze toch nog. Op vrijdag stampte er een dametje binnen voor een gehoortest en een hielprikje en ‘s middags hing er al weer iemand aan de telefoon die een afspraak wilde maken voor de WV, de wijkverpleegkundige. Die komt zich morgen met ons bemoeien. En dat is toch iets heel geks, want eigenlijk heb ik daar helemaal geen behoefte aan. Ik heb er niet om gevraagd, maar ik krijg het toch, bemoeizorg. Maar als ik niet meewerk, ben ik dan bij voorbaat verdacht?

Mijn ervaringen met het consultatiebureau zijn in 20 maanden tijd onveranderd. (Ik refereer even aan de verslagen die je elders op deze blog terug kunt lezen.) Het voegt helemaal niks toe als je de vaccinaties even buiten beschouwing laat. Maar ondertussen verzamelen ze daar een enorme hoeveelheid gegevens. Bij Nathan kwam de WV ook langs met een vragenvuur waar ze in de voormalige DDR een puntje aan hadden kunnen zuigen. Wat we voor werk deden, welke opleidingen we hadden afgerond, gezinnen waar we uit kwamen, ziektes, allergieën, of we rookten, dronken, snoven… En voor ik het wist zat ik gewoon mee te werken om die hele checklist af te vinken. Vervolgens vertelde ze dat zij in het vervolg zoveel mogelijk controles bij Nathan zou doen. Ik heb het mens daarna nooit meer gezien of gesproken. En als er wat met Nathan is, dan weet ik niet waar ik haar te pakken kan krijgen. En is het toch de bedoeling om naar de huisarts te gaan. Als je haar dus echt nodig hebt is ze ineens in geen velden of wegen te bekennen.

Naast m’n laptop ligt een envelop met de overdracht van de kraamzus aan de wijkzus. En eentje van de ziekenhuiszus aan de wijkzus. Dan weten ze bij de GG&GD precies hoe lang ik er over gedaan heb om Jonas uit te persen, wat z’n laagste gewicht was en wat z’n temperatuur. En ik vraag me af wat ze met al die info doen. De WV hoort via de gemeente dat er hier een kindje is geboren. Vervolgens gaat ze zoveel mogelijk info opschrijven en legt ze je alvast twee afspraken voor om langs te komen voor Jonas’ APK bij de consultatiebureauarts (wist je dat die na hun basisarts-zijn met een opleiding van drie weken al consultatiebureauarts zijn? Wat een inzicht!).  En hoe gaat dat dan? Dan kom ik daar en dan vraagt ze hoe het met hem gaat en controleert ze of ‘ie wel voldoet aan het gemiddeldste kind van Nederland. Voldoet ‘ie daar niet aan dan wordt er hard gewerkt aan mijn schuldgevoel en het stempel -niet-zo-heel-slechte-moeder-maar-wel-eentje-om-in-de-gaten-te-houden. Want het gemiddelde is de norm.

Bij het laatste bezoek met Nathan kreeg ik de tip mee om meer doen-alsofspelletjes te spelen. Ik kreeg serieus het advies om met Nathan en een beertje aan een tafeltje te gaan zitten en te doen alsof we thee dronken. Ze vroegen zich af of Nathan al wel in staat was tot doen-alsofspelletjes, want dat was op deze leeftijd erg wenselijk. Die middag zaten we met z’n drieen (Rund dronk met ons mee) aan een tafeltje te doen alsof en volgens mij dachten we alledrie (Rund incluis) hetzelfde. Bovendien houdt Nathan niet van thee, dus dat doen-alsof was al geen succes. Daarna zijn we weer tot de orde van de dag overgegaan. Nu staat ‘ie waarschijnlijk geregistreerd als potentieel autist want die zijn ook niet goed in doen-alsof.

De jeugdzorg staat volop in de schijnwerpers. Minister Rouvoet heeft een onderzoek aan z’n broek hangen, de kritiek op het functioneren van de jeugdgezondheidszorg is niet van de lucht. Het is een ontzettend lastig dossier, want je staat tussen twee vuren. Ik begrijp dat er kinderen zijn  die ter wereld komen in niet zulke warme nestjes als wij hier proberen te bieden. Kinderen die dan gelukkig nog via een consultatiebureau gezien worden en hopelijk kan hun situatie verbeterd worden. Voor die kinderen is het misschien wel een geluk dat ze worden gemonitord. Aan de andere kant werkt zo’n bureau met een dossier dat alleen met inspraak van de ouders tot stand komt. Niks geen schaduwdossiers of losse aantekeningen elders, alleen dat ene dossier waar je niets in kunt zetten wat je misschien toch stiekem in de gaten wilt houden.

Maar ja, je kunt ook geen cb’ s instellen voor de  complexere kinderen, want hoe selecteer je die? Dus ben ik nog geen steek verder. Zoals er mensen zijn die liever geen foto’s van hun kinderen op Hyves o.i.d. willen plaatsen, zo geef ik liever geen info aan zo’n vrijblijvende instantie. want wat kan er over pakweg vijftien jaar allemaal geconcludeerd worden uit de info over Jonas? Een geboorte na twee persweeen leidt tot een IQ van 130? Een kind dat bij 16 maanden nog niet met beertjes kan theedrinken ontwikkeld voor zijn 23e een antisociale persoonlijkheid? Criminaliteit kan verband houden met de hoeveelheid borsten die een kind aangeboden krijgt tijdens borstvoeding…?

Jonas voldoet nog helemaal niet aan een gemiddelde. Hij is de mooiste baby die ik ooit heb gezien. Hij zorgde ervoor dat ‘ ie in vijf uurtjes geboren werd. Hij eet meteen met de pot mee (borstvoeding) en z’n navelstreng was ‘ ie in vier dagen kwijt. Hij viel meer dan 7% van z’n geboortegewicht af, maar zat er binnen een week al weer boven. Tot nu toe doet ‘ ie dus alles op topsnelheid. Als ze dit allemaal noteren dan halen we het gemiddelde weer een stukje omhoog en zijn er weer minder baby’s die aan het gemiddelde voldoen en zo houden we de hele santekraam wel draaiende.

Klink ik erg cynisch?

Kom uit die regenplas!

Drie jaar geleden, toen we nog kinderloos door het leven gingen, streken we neer op de Parade. Het regende al drie dagen, het festivalterrein stond her en der blank en we hadden natte konten van de terrasstoeltjes. Maar de alcohol warmde onze lichamen en maakte een hoop goed.Tussen de biertjes door sjokten we wat over het terrein en hobbelden van showtje naar voorstelling.

Ergens op dat terrein stond een schattig meisje van een jaar of twee. Een roze regenjasje en rode schoentjes. En met die rode schoentjes stond ze middenin een diepe regenplas. Aan de randen van de plas stonden een moeder en een vader. Ze waren ontzettend druk aan het praten. Tegen het schattige meisje. Het was een bijzonder tafereel en we besloten om te verkassen naar het terrasje naast de regenplas. “Kom maar uit de regenplas” smeekte de vader. “Lievie, ga je met papa en mama mee?” kweelde de moeder. “Kom je uit de plas, schat?” vroeg de vader. “Papa en mama willen dat je nu uit de regenplas komt” drong de moeder aan. “Zullen we een ijsje halen?” manipuleerde de vader. “Als je uit de regenplas komt krijg je een ijsje” chanteerde de moeder.

En wij zaten stomverbaasd op dat terrasje. “Zal ik hen helpen en haar uit die plas halen?” vroeg KP. Dat leek me net iets te veel van het goeie en bovendien vond ik dit ook wel een leuke voorstelling. Hoe lang zouden die ouders er over doen om dat kind uit die plas te praten? Werden we getest? Hoorde dit ‘gezin’ bij de entourage?

Het ijsje deed z’n werk. Terwijl de regen met bakken uit de hemel viel en er op het hele terrein waarschijnlijk geen ijs te vinden was, liep het gezinnetje weer verder. En zetten wij ons gesprek voort. “Als we kinderen krijgen…”, “Ja, als het ons gegeven is om kinderen te krijgen…”, “Inderdaad onder alle voorbehouden die je maar kunt verzinnen…”, “Ja, onder al die omstandigheden…”, “ZULLEN WE ONS KIND NOOIT UIT EEN REGENPLAS PRATEN!” “NOOIT” “Wij pakken ons kind gewoon op, geen gedonder, we zullen wel eens even zien wie er hier de baas is.” “Typisch van die slappe halverwege de dertigers met hun slappe opvoedtechnieken.” “Wat moet er van zo’n kind terechtkomen?”

We zijn drie jaar lateren er hobbelt hier een dreumes van 20 maanden rond. En af en toe betrappen we elkaar op zeer slappe opvoedmethoden. Als Nathan weer eens iets in z’n handen houdt wat ‘ie niet los wil laten. “Kom eens uit die regenplas” zegt een van ons dan tegen de ander, afhankelijk van wie de strijd met Nathan voert. En dan weet je weer dat je net even wat harder moet opvoeden. En is het de kunst om hem zelf uit ‘de regenplas’ te laten lopen zonder gemanipuleer. Of hem gewoon datgene uit z’n handen te trekken zodat het in een keer duidelijk is. In al z’n boosheid gooit ‘ie zich dan vaak achterover, flats de regenplas in.

Hogere opvoedkunde

Hoooo, shit, neenee, niet doen, hoohoo, wat hadden we afgesproken, o nee, niet dat ding, waar zijn je auto’s, laat eens los, oeoeoeoe, hou je beker rechtop, niet doen, leg dat eens terug, kom eens hier, o shit, grrrrrr, Nathan, Nathan!, NATHAN!!, neenee, ik bedoel ook echt neenee, doe dat eens niet, laat je handjes eens zien, niet in de wc-pot!, doe maar dicht, Nathan! doe eens dicht, goed zo, neeeeee, … 

Wil je een koekje, kijken of Pino op tv is, ga maar op je poef zitten, ja nu ben je lief…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.