Noordelijk wonen

Nog niet zo lang geleden hebben we het midden van het land verruild voor het noorden. Daar moet je sterk voor in je schoenen staan. Ik bemerkte bij mezelf een zekere gêne om te vertellen dat we in Friesland een huis hadden gekocht. Voor westerlingen klinkt dat namelijk als emigreren. Het is tenslotte 150 km dichter bij de poolcirkel. De meeste mensen die bij de verhuiswagen afscheid van je nemen, doen dat in de overtuiging dat ze je nooit meer terug zullen zien. ‘We mailen he?’ of ‘Tot op facebook!’ zeggen ze nog hoopvol, maar je ziet ze denken: in het gunstigste geval komt ons adres in het rouwbrievenbestand bij sterfgevallen. Vaarwel.

Maar daar werd die gêne trouwens niet door bepaald. Als ik even wat lagen dieper graaf, dan ontstaat dat door de  gedachte van veel mensen dat je een stap terugzet in je ontwikkeling. Mensen in het westen vragen zich af: waarom? Het hoort bij hun beeld van evolutie. Naar het westen verhuizen is een stap vooruit in de menselijke ontwikkeling. Het model van de goed evoluerende burger is de boer van het platteland die tot het inzicht komt dat zijn leven op die plek nogal beperkt is en dat er meer in het leven is dan het programma dat het provinciale theatertje biedt. Het is de Nederlandse droom: je kunt het westen bereiken als je maar uit je beperkte modus komt en je hersenen genoeg zuurstof geeft. Niet te verwarren dus met de Amerikaanse droom waarin je alles kunt bereiken als je daar maar hard genoeg voor werkt. In Nederland kun je in sommige gevallen subsidie aanvragen en dan kun je ook blijven doen wat je leuk vindt.

En nu wonen we hier dus al weer ruim een half jaar. Dat ik een berg mensen nodig moet spreken komt niet omdat ik zo ver weg woon (of zij zo ver weg wonen), maar omdat ik het nogal druk heb. Ook dat strookt niet helemaal met het beeld van het noorden, want waar zou je hier in vredesnaam moeten werken? Een buurtsuper? Een kaasboerderij?

Ik overdrijf, maar feit is dat onze verhuizing nogal wat reacties losmaakte. En dat veel mensen Friesland helemaal niet kennen, behalve van de boot naar Terschelling. En af en toe loop ik zelf ook nog met gedachtes rond dat het geen slim plan was. Ik mis vrienden en ik baal ervan dat we voor een kop koffie bij deze en gene een hele dag moeten uittrekken. Of zelfs een plan voor een weekend maken om alle drie pasgeboren baby´s te kunnen checken. Aan netwerk heb ik hier behalve m’n familie nog niet zo gek veel.

Maar vanochtend op de fiets viel het kwartje voor de zoveelste keer. Met een kind voorop, een kind achterop, twee boodschappentassen aan weerszijden van het stuur, een buggy achterop de drager en mijn blik als die van een hertje in de koplampen, kreeg ik van alle automobilisten voorrang. Die blik deed ‘t ‘m en die heb ik in Utrecht geleerd!

Sleutelkinderen

Er stuiteren twee jongetjes door de bibliotheek. Ze denderen over de rubberen speelblokken, rollen over de grond en springen op stoelen. “O, sorry, deed het pijn?” “O, neuh.” En daar gaan ze weer. De denkrimpels achter de balie worden steeds dieper en af en toe grijpen de dames in. Nathan durft het niet aan om dichterbij te komen. Ik vraag me af waar de moeder is, zodat die kan ingrijpen, maar er komt een man bij die de jongens vraagt om wat rustiger te worden. Net als ik denk dat het de vader van de jongens is, komt een bibliotheekmedewerkster me vertellen hoe de vork in de steel zit.

De blonde koppies zitten al maanden elke middag na schooltijd in de bibliotheek. Ik schat ze negen, tien jaar oud. Geen broertjes, vriendjes van elkaar. Hun ouders werken tot acht uur ´s avonds, maar ze hebben een sleutel van huis. Als de bibliotheek dichtgaat, zijn ze de laatsten die vetrekken. De school weet ervan af, maar doet er verder niks mee. De bibliotheek weet niet wat nu te doen. En naar jeugdzorg vindt de bibliotheekmevrouw te ver gaan.

Maar ik vind het een raar verhaal en het houdt me nogal bezig.

Stabat mater

Nathan en ik zingen veel. Maar na Olifantje in het bos, In de maneschijn en Dikkertje Dap (ROETSJ BOEM AU) ben ik toe aan een niveautje hoger. Dus zing ik momenteel wat delen uit de Mattheus Passion, wat Engelse hymnes en het Stabat Mater. Maar waar komt toch die verontwaardiging van Nathan vandaan als ik het zevende deel van het Stabat Mater zing?

Sancta mater, istud agas,
Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide.
Tui nati vulnerati
Tam dignati pro me pati,
Poenas mecum divide!

Jaaa, roept ‘ie eerst. En dan ja-haa mama. Sinds vandaag ben ik erachter. Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Hij denkt gewoon dat ik hem roep, onze Nathie. Grappig.

Avond

Nathan valt al tijdens het eten in slaap. Zelf heeft ‘ie nog geen hap gehad, maar Jonas en ik zijn net begonnen. Ergens tussen stoel en grond vang ik ‘m op. Om kwart voor zes al één kind in bed, wat een luxe! Een half uur later ligt Jonas ook, mijn avond begin vandaag al om kwart over zes.

Anderhalf uur later is het gedaan met de rust. Nathan heeft een intensieve opleving ervaren en besluit dat dit een prima middagslaap was. Hij heeft trek en heeft twee boterhammen nodig. Met kaas en met pindakaas. “Allebei.” Ik neem ‘m maar mee naar beneden, want hij zal inderdaad wel trek hebben. Ik smeer de twee boterhammen, snij er heel verantwoord nog komkommer, olijfjes en kerstomaatjes bij, terwijl Nathan zich de bank toeëigent: “Televisie aan hè mammie?” De slijmmodus staat aan: het is mammie dit en mammaatje dat. Het stukje avond voor mezelf kan wel eens korter worden dan ik dacht.

Voor Nathan zijn dit prima uren. Een exclusief avondje met je moeder op de bank, mét de tv aan. Ik waarschuw nog dat er op dit tijdstip alleen nog maar programma’s voor grote mensen op tv zijn. Maar Nathan heeft, met de afstandsbedieing in z’n handen, z’n oog laten vallen op De Centrale Huisartsenpost op Nederland 1. Er ligt een leeftijdgenootje van ‘m met een kapotte lip op de onderzoekstafel en het ziet er zelfs zonder lenzen gruwelijk uit. Het kind huilt en Nathan ziet het met grote ogen aan. Ik ruik mijn kans, als we dit programma laten staan zou ‘ie wel eens eerder boven kunnen liggen dan het zich nu laat aanzien. Aan de andere kant zou ‘ie er een slechte nacht van kunnen hebben, maar dat risico loop ik graag een keer.

“Kijk mammie, is kapot.” Nathan analyseert van handeling tot handeling: Doet zeer hè? Doet de dokter nou? Kindje huilen. Hoeft toch niet hè mammie? Nathan niet bang toch? O, kijk! Gaat het maken! Jaaa, gemaakt mammie! Heeft die mevrouw nou? Kan niet zien? Heeft die meneer? Kan toch niet zonder schoenen buiten? Hahahaha, dat kan toch niet. Sokken vies. Nieuwe kopen hè mammie? Doet die dokter nou? Zere vinger toch. Gaat ‘ie een pleister maken? Moet een kusje op toch? O, klaar. Doe-doei, tot vanmiddag. Ga maar naar huis. Doe-hoeg. Nu Elmo kijken hè mammaatje?

Hmm, het levert niet het door mij gewenste effect en om kwart over acht vind ik het genoeg geweest. Ik breng ‘m onder luid protest naar boven. Terwijl ik op de bank zit, haalt Nathan onder luid indianengehuil halsbrekende toeren uit bij het traphekje. Ik vrees dat we vanavond ook nog een beroep gaan doen op de huisartsenpost. KP belt om kwart voor negen en hoort Nathan brullen. Ik ben er stoïcijns onder, maar KP vindt dat ik even moet gaan buurten boven. Dus zit ik tot over negenen boven te kletsen over koetjes en kalfjes, en tepeltjes en naveltjes, en tenen en vingers, over de zaadjes die we in de tuin hebben geplant, over z’n nieuwe tuingieter, over laarsjes, over tante Jetty’s boerderij, over bang zijn voor honden, lekkere boterhammen en vieze snottebellenkusjes. En dan eindelijk legt ‘ie zich er bij neer en vertrek ik naar beneden om een blog te schrijven.

Maar nu hoor ik Jonas. Ggggrrrrrrroommm.

Anticonceptie

Ik sta met Nathan en Jonas bij de apotheek om een anticonceptiemiddel te halen. “Je wilt zeker wel voor een jaar mee?” suggereert de apothekersassistente. Ik ben me van geen kwaad bewust, maar wat stralen mijn kinderen in vredesnaam uit?

Pokkekinderen

“We moeten ‘m etnisch registeren”, zegt KP, “hij hoort nu bij het gestippelde ras.” Inderdaad, het ziet er vreselijk uit. Onze Jonas, nog maar 69 centimeter kind, maar wat passen er al een hoop waterpokken op!

Er is een epidemie op Bambi. Er lopen allemaal pokkekinderen los rond. De ziektekiemen tieren er welig. En ik zie ook hoe dat komt. De kinderen vinden elkaars stippen leuk, ze wijzen ze een voor een aan. Nathan had ze twee weken geleden. Het leek Jonas over te slaan. Jonas, die in de zes maanden dat hij nu al bestaat, al dikke vrienden met dokter H. uit het Diak was geworden. Jonas bedankte nu eens een keer voor een virus.  

 Maar dokter H. was nog niet uit zicht. Gisterochtend stonden we weer bij het Diak. Dit keer met Nathan. Die liet zichzelf zondag wat ongelukkig van mijn schoot afglijden en hinkte met z’n rechterbeen. We zijn nog maar net in de gang van het Diak of we komen ‘m al tegen. Dokter H. is de beste kinderarts die ik kan verzinnen. Hij kan met kinderen hetzelfde als ik met een rubikskubus kan: alle onderdelen alle kanten op en ze toch weer in de goede vorm terugkrijgen. Hij trekt een wenkbrauw op, hij herkent ons. Ik wil het liefst hard weglopen. Hallo, zegt dokter H. een beetje verbaasd. Eh… dag dokter H., stotter ik. Ik schaam me, ik hoor hier helemaal niet te zijn. Met een kind van twee naar de röntgenafdeling, dat klopt gevoelsmatig niet.

We mogen in de wachtkamer gaan zitten. Ik heb niks bij me om Nathan te vermaken, bedenk ik me. Eerst mijn Moleskin maar tevoorschijn toveren. En een pen. Nathan tekent ‘auto’s'  door mijn commissie-aantekeningen met een pleidooi voor beter openbaar vervoer in onze provincie. De wachtkamer luistert geamuseerd naar Nathans commentaar. Ik teken een boot, een bus, een trein, een poes, een hond, een paard. Vijf minuten later moet ik weer iets nieuws verzinnen. We lezen een Autoweek. Daarna geef ik hem vijf visitekaartjes om mee te spelen. Maak er maar een trein van, zeg ik. Nathan legt de kaartjes in een treintje en is duidelijk tevreden met het resultaat. De wachtkamer kijkt geamuseerd toe. Dan gooit Nathan de kaartjes door elkaar. Er schiet een kaartje onder de stoel. Nathan speelt verder en roept ineens: issie? Ik wijs onder de stoel naar het kaartje. Er verschijnt een glimlach op Nathan gezicht. Tsss, fluistert een dame, hij kan al tellen. Nathan is er weer klaar mee. Ik teken twee stippen op de onderkant van een plastic koffiebeker en zet ‘m op m’n neus. Ik doe een varken na. Nathan snapt het en doet het na. Hij kijkt rond, de wachtende mensen lachen en proberen gesprekjes met ‘m aan te knopen.

Ik ontplof bijna van trots. Want we zitten daar best heel leuk met z’n tweetjes moeder en zoon te zijn. Nogal vredig allemaal, helemaal geen conflicten vanochtend, ik begrijp Nathan, hij begrijpt mij, het gaat er gewoon helemaal modelmatig aan toe. Ik hoef hem niet tot de orde te roepen, hij speelt lief, en ik voel me in balans, nogal beheersd, helemaal niet warrig en chaotisch vandaag. Ik ben helemaal in charge of alles. We zijn niet irritant of luidruchtig, we zijn samen de leukste moeder en zoon die je in een wachtkamer kunt treffen.

We mogen naar binnen, er worden twee foto’s gemaakt, we gaan de wachtkamer weer in. Hallo, zeggen de mensen. Hallo, zegt Nathan en hij zwaait erbij. Iedereen lacht vertederd. De röntgenoloog komt vertellen dat er een fractuurtje zit in het middenvoetsbeen. We gaan naar de ehbo. Het duurt eindeloos. Nathans geduld raakt op. Hij brult alles bij elkaar en daar zul je net dokter H. hebben. Hij komt even polsen waarom wij er weer zijn. Nou, zeg ik, ik had me voorgenomen voorlopig niet meer te komen, maar … en ik probeer uit te leggen dat ik er echt helemaal niks aan kon doen. Dokter H. vertrekt weer, want zijn telefoon gaat af. We mogen naar huis, de gipskamer kan niks met zo’n klein voetje.   Maar nu heb ik dokter H. nog niet uitgelegd… Bij de uitgang zie ik ‘m bellen, we zwaaien.

Ik begin weer een beetje hypochondrisch te raken. Want dit is nou weer zo’n geval waarin ik me in m’n hoofd haal dat ze me vast verdacht vinden. Zo’n moeder die haar kind mishandelt, zeer voorbeeldig lijkt, maar ondertussen op de tenen van haar kinderen gaat staan om zelf aandacht op te eisen. Een munchhausen-by-proxygeval. Laatst zag ik een reportage van Netwerk over zo’n verdenking en wat de gevolgen daarvan waren. Waterpokken kun je niet simuleren, dat is fijn.

Sinds ik moeder ben ken ik mijn diepste angsten. Dat mijn kinderen van me worden afgepakt is het ergste dat ik kan verzinnen. Kinderen hebben voelt als de ochtend na mijn 8e verjaardag en ik met mijn nieuwe rolschaatsen aan wakker werd: benen die ‘s ochtends loodzwaar aanvoelen, maar niets kan op tegen het geluksgevoel dat je die rolschaatsen echt hebt gekregen! Zes uur ‘s ochtends is loodzwaar, maar het is fantastisch om wakker te worden en te merken dat zij weer wakker zijn. Wat heerlijk, weer een dag met z’n allen!

Neeneeneeneenebukadnezar

Vandaag het peuterbureau voor het eerst bezocht. Voor het eerst is natuurlijk een onzinnige toevoeging, want het is gewoon het consultatiebureau met dezelfde dame die Jonas ook controleert. Maar omdat Nathan nu twee is en officieel een peuter is, is het consultatiebureau getransformeerd naar peuterbureau. Het is boeiend om te onderzoeken wat daar nu de reden voor is. Het is misschien iets psychologisch. Daar moet ik nog wat verder over nadenken.

Van tevoren namen KP en ik een lijstje door van goede en slechte opmerkingen. Het is goed om te zeggen dat hij zinnen van twee woorden kan zeggen, en woorden van minstens zes lettergrepen. En dat ‘ie weet wat een bloeddrukmeter is. Dat ’ie elke dag zeurt om kiwi’s en bananen en niet naar koekjes taalt. Dat ‘ie dagelijks twee glazen melk drinkt en voor de rest alleen maar water krijgt. En roosvicee alleen als er iemand jarig is. Dat het feest is als er een rijstwafel ter tafel komt. Dat ‘ie nooit tv kijkt. Dat ‘ ie het liefst de hele dag blokkentorens bouwt. Dat ‘ie erg veel contact legt met andere kinderen. Dat ‘ie op een been kan staan.

Het lijstje met dingen die je niet moet zeggen is minstens zo lang. Het is bijvoorbeeld niet goed om te zeggen dat ‘ie af en toe overdag nog een speen in krijgt omdat ‘ ie anders niet te temmen is. Het is niet goed om te zeggen dat we maar een keer per dag tandenpoetsen. Of dat we regelmatig vitamine D vergeten. Dat ‘ie bij de koelkast al jengelt om appelsap en dat we dat dan compromisloos geven. Dat onze keukenla uitpuilt van de Nijntje-, Dora-, Bob de Bouwer-  en Spongebobkoekjes. Dat we hem achter de laptop zetten met een Bob de Bouwer-dvd als ‘ ie ‘s ochtends om 5 uur ‘wakker’  roepend bij ons bed staat. ‘ Wakker’  is trouwens zo’n abstract begrip dat het wel weer goed is om dat te vermelden.

Maar het allerdomste zou zijn om te vertellen dat ‘ie Elly & Rikkert, Hanna Lam en Taize (Veni Creator Spiritus: ‘toeoeoeoeos’) mee kan zingen. Ja meezingen, dat is prima. Maar dan niet met dat geestelijke repertoire, want dan wekken we de indruk dat het kind een niet-neutrale opvoeding krijgt en voor je het weet staat ‘ ie dan onder toezicht van Jeugdzorg. Dus ‘neenee’ zeggen is heel gezond, maar ‘neeneeneenebukadnezar’ mag dan een hele volzin zijn voor eentje van twee en zeker zes lettergrepen hebben, maar het is wel zeer kwalijk voor zijn verdere ontwikkeling.

Roodkapjes stiefmoeder

Er zijn momenten dat ik me afvraag waar we aan begonnen zijn. In wat voor wereld laten we onze kinderen opgroeien? En hoe lang kunnen ze zo leuk onschuldig blijven? Zwaar onderwerp weer.

Zelf ben ik heel lang onschuldig geweest. Ik was nog erg naief op m’n twaalfde en de meeste vieze woorden leerde ik in de brugklas van doorgewinterde klasgenootjes. En nog had ik geen idee waar het over ging. Mijn ouders hebben bij mijn weten de seksuele opvoeding overgeslagen. Misschien heeft het wel geen indruk achtergelaten. Het is wonderwel goed gekomen. Bovendien had ik een abonnement op de bieb. We spreken over een tijd dat er nog geen internet voor handen was en je nog les kreeg in dingen opzoeken in de ca-ta-lo-gus. Wat ik in de brugklas vervolgens maar in praktijk bracht. Lees meer over dit bericht

Het Vroege Vogels Hoorspel

- De stofzuiger. Die knoppen.

- De hark van de stofzuiger, of hoe noem je zo’n ding?

- Het snoer, de rolfunctie van het snoer.

- Z’n boekenplank. Eerst alle boekjes, waarschijnlijk zometeen het mandje met de vreemdevormenboekjes.

- Ja, daar hebben we ‘m al. En het boekje met de koe. Het varken, paard…

- De duplobak. O, nee, niet op de kop…!

- De ark van Noach, kun je de batterijen uit dat ding halen?

- Auto’s, de afstandbediening, boekje van Nijntje…

- Ehm… wat is dit?

- Hij zegt nijntje dus dit kan de laptop zijn.

- Maar daar kan hij toch helemaal niet bij?

- Sinds gisteren is ‘ ie handig met de kruk.

- Ga jij?

- De serviesla, nu moeten we tot actie over gaan

- Ga jij?

- Nee, ik ben er vannacht al twee keer uit geweest voor Jonas. Jouw beurt.

- Zucht… Nathan? Kom eens hier…

- Dat gaat niet werken…

En dan gaan we weer, om een uur of zeven. Achter Nathan aan.

Opera

We luisteren opera omdat Nathan dat mooi vindt. Van ons hoeft het niet zo. Als we de radio uitzetten, zet Nathan het op een hartverscheurend huilen. Dus is het kiezen tussen die uithalen van de sopraan of de krijsbuien van onze zoon. Vooralsnog kiezen we voor de dame, maar als ze nog even zo doorgaat zetten we Nathan aan.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.