Op doktersadvies

Ik heb sinds drie dagen vakantie en ik ben inmiddels ook al drie dagen ziek. Ziek in de zin van hoofdpijn, keelpijn, oorpijn, verkoudheid is een understatement, pijn in al m’n ledematen en koorts. En omdat het vakantie is, vond ik het raadzaam om een arts te raadplegen. In het gunstigste geval zou hij me van een fijn advies en een hele apotheek kunnen voorzien, zodat de vakantie naar een resort met gegarandeerd 30 graden geboekt zou kunnen worden. Dat deed de huisarts niet, nou ja, een beetje.

Zeg eens aaaa. Aaaa. Ja, ziet er goed uit, rood, maar niet ernstig. Een lichte keelinfectie. Maarmaar, m’n hoofd, m’n oren, m’n klieren. Laat maar even voelen, ja, dik maar niet ernstig. Keel gewoon goed koelen. Veel ijsjes eten en koud water drinken. Wat pijnstillers slikken, dan moet het zo over zijn.  O, ik kan zo dus wel op vakantie? Ja hoor. Blijf je in de buurt? Eh jaaa, vooralsnog vertrekken we uit Lemmer. Met een boot, is dat verstandig? Nou, ze hebben in Lemmer lekker ijs, daar zou ik eerst een poosje blijven. Kunt u mij ook het advies geven om niet met de boot weg te gaan? De weersvoorspelling voor de komende twee weken blijven zo rond het cijfer 3 hangen. Eh… nee, daar geef ik normaal gesproken geen adviezen over. Maar u heeft vast een oordeel over drie weken zeilen bij 18 graden met mijn verschijnselen. Tja, je bent volwassen en kunt daar vast zelf een antwoord op geven. Maar ik heb thuis iemand zitten die voor mijn argumenten niet meer vatbaar is. En nu dacht ik… Daar meng ik me niet in. O, da’s jammer. Nou, dan maar bedankt en tot ziens. Tot ziens. Ik zou trouwens een warm en droog land opzoeken met jouw verschijnselen. (Met een glimlach.)

En nu lig ik dus in bed, te wachten tot het overgaat. Dus een reisje boeken zit er ook niet in. En ik voel me vreselijk zielig. Omdat ik me zo naar voel, maar ook omdat het weer in Nederland niet geweldig is en wordt, maar ook niet erg genoeg om een vliegtuig te pakken. En ik vind het nogal stom van mezelf dat ik een boot tegen een bank heb ingeruild.

Noordelijk wonen

Nog niet zo lang geleden hebben we het midden van het land verruild voor het noorden. Daar moet je sterk voor in je schoenen staan. Ik bemerkte bij mezelf een zekere gêne om te vertellen dat we in Friesland een huis hadden gekocht. Voor westerlingen klinkt dat namelijk als emigreren. Het is tenslotte 150 km dichter bij de poolcirkel. De meeste mensen die bij de verhuiswagen afscheid van je nemen, doen dat in de overtuiging dat ze je nooit meer terug zullen zien. ‘We mailen he?’ of ‘Tot op facebook!’ zeggen ze nog hoopvol, maar je ziet ze denken: in het gunstigste geval komt ons adres in het rouwbrievenbestand bij sterfgevallen. Vaarwel.

Maar daar werd die gêne trouwens niet door bepaald. Als ik even wat lagen dieper graaf, dan ontstaat dat door de  gedachte van veel mensen dat je een stap terugzet in je ontwikkeling. Mensen in het westen vragen zich af: waarom? Het hoort bij hun beeld van evolutie. Naar het westen verhuizen is een stap vooruit in de menselijke ontwikkeling. Het model van de goed evoluerende burger is de boer van het platteland die tot het inzicht komt dat zijn leven op die plek nogal beperkt is en dat er meer in het leven is dan het programma dat het provinciale theatertje biedt. Het is de Nederlandse droom: je kunt het westen bereiken als je maar uit je beperkte modus komt en je hersenen genoeg zuurstof geeft. Niet te verwarren dus met de Amerikaanse droom waarin je alles kunt bereiken als je daar maar hard genoeg voor werkt. In Nederland kun je in sommige gevallen subsidie aanvragen en dan kun je ook blijven doen wat je leuk vindt.

En nu wonen we hier dus al weer ruim een half jaar. Dat ik een berg mensen nodig moet spreken komt niet omdat ik zo ver weg woon (of zij zo ver weg wonen), maar omdat ik het nogal druk heb. Ook dat strookt niet helemaal met het beeld van het noorden, want waar zou je hier in vredesnaam moeten werken? Een buurtsuper? Een kaasboerderij?

Ik overdrijf, maar feit is dat onze verhuizing nogal wat reacties losmaakte. En dat veel mensen Friesland helemaal niet kennen, behalve van de boot naar Terschelling. En af en toe loop ik zelf ook nog met gedachtes rond dat het geen slim plan was. Ik mis vrienden en ik baal ervan dat we voor een kop koffie bij deze en gene een hele dag moeten uittrekken. Of zelfs een plan voor een weekend maken om alle drie pasgeboren baby´s te kunnen checken. Aan netwerk heb ik hier behalve m’n familie nog niet zo gek veel.

Maar vanochtend op de fiets viel het kwartje voor de zoveelste keer. Met een kind voorop, een kind achterop, twee boodschappentassen aan weerszijden van het stuur, een buggy achterop de drager en mijn blik als die van een hertje in de koplampen, kreeg ik van alle automobilisten voorrang. Die blik deed ‘t ‘m en die heb ik in Utrecht geleerd!

Avond

Nathan valt al tijdens het eten in slaap. Zelf heeft ‘ie nog geen hap gehad, maar Jonas en ik zijn net begonnen. Ergens tussen stoel en grond vang ik ‘m op. Om kwart voor zes al één kind in bed, wat een luxe! Een half uur later ligt Jonas ook, mijn avond begin vandaag al om kwart over zes.

Anderhalf uur later is het gedaan met de rust. Nathan heeft een intensieve opleving ervaren en besluit dat dit een prima middagslaap was. Hij heeft trek en heeft twee boterhammen nodig. Met kaas en met pindakaas. “Allebei.” Ik neem ‘m maar mee naar beneden, want hij zal inderdaad wel trek hebben. Ik smeer de twee boterhammen, snij er heel verantwoord nog komkommer, olijfjes en kerstomaatjes bij, terwijl Nathan zich de bank toeëigent: “Televisie aan hè mammie?” De slijmmodus staat aan: het is mammie dit en mammaatje dat. Het stukje avond voor mezelf kan wel eens korter worden dan ik dacht.

Voor Nathan zijn dit prima uren. Een exclusief avondje met je moeder op de bank, mét de tv aan. Ik waarschuw nog dat er op dit tijdstip alleen nog maar programma’s voor grote mensen op tv zijn. Maar Nathan heeft, met de afstandsbedieing in z’n handen, z’n oog laten vallen op De Centrale Huisartsenpost op Nederland 1. Er ligt een leeftijdgenootje van ‘m met een kapotte lip op de onderzoekstafel en het ziet er zelfs zonder lenzen gruwelijk uit. Het kind huilt en Nathan ziet het met grote ogen aan. Ik ruik mijn kans, als we dit programma laten staan zou ‘ie wel eens eerder boven kunnen liggen dan het zich nu laat aanzien. Aan de andere kant zou ‘ie er een slechte nacht van kunnen hebben, maar dat risico loop ik graag een keer.

“Kijk mammie, is kapot.” Nathan analyseert van handeling tot handeling: Doet zeer hè? Doet de dokter nou? Kindje huilen. Hoeft toch niet hè mammie? Nathan niet bang toch? O, kijk! Gaat het maken! Jaaa, gemaakt mammie! Heeft die mevrouw nou? Kan niet zien? Heeft die meneer? Kan toch niet zonder schoenen buiten? Hahahaha, dat kan toch niet. Sokken vies. Nieuwe kopen hè mammie? Doet die dokter nou? Zere vinger toch. Gaat ‘ie een pleister maken? Moet een kusje op toch? O, klaar. Doe-doei, tot vanmiddag. Ga maar naar huis. Doe-hoeg. Nu Elmo kijken hè mammaatje?

Hmm, het levert niet het door mij gewenste effect en om kwart over acht vind ik het genoeg geweest. Ik breng ‘m onder luid protest naar boven. Terwijl ik op de bank zit, haalt Nathan onder luid indianengehuil halsbrekende toeren uit bij het traphekje. Ik vrees dat we vanavond ook nog een beroep gaan doen op de huisartsenpost. KP belt om kwart voor negen en hoort Nathan brullen. Ik ben er stoïcijns onder, maar KP vindt dat ik even moet gaan buurten boven. Dus zit ik tot over negenen boven te kletsen over koetjes en kalfjes, en tepeltjes en naveltjes, en tenen en vingers, over de zaadjes die we in de tuin hebben geplant, over z’n nieuwe tuingieter, over laarsjes, over tante Jetty’s boerderij, over bang zijn voor honden, lekkere boterhammen en vieze snottebellenkusjes. En dan eindelijk legt ‘ie zich er bij neer en vertrek ik naar beneden om een blog te schrijven.

Maar nu hoor ik Jonas. Ggggrrrrrrroommm.

Poetsmadammen

Ik heb een bijzondere band met schoonmakers en dat is raar als je bedenkt dat we vakinhoudelijk geen enkel raakvlak hebben. We hebben denk ik nog meer misvlakken, in elk geval oog voor stof en vuil. Dat ontbeer ik volledig. Het is dan ook om die reden dat ik thuis op de bank twee sollicitatiegesprekken voerde met twee potentiële poetsmadammen. Het werd de tweede. Daar miste ik zoveel raakvlakken mee dat ze wel goed zou moeten kunnen schoonmaken. Dat gaf de doorslag.

Op mijn eerste serieuze werkplek bij een hogeschool hadden we Ursula, een goedbedoelende praatgrage Poolse die al meer dan vijfentwintig jaar met een Nederlandse man was getrouwd, maar voor de meeste mensen niet te verstaan was. Dat lag aan haar accent, maar ook aan haar praatgraagheid. Als je haar eenmaal aan het praten had gezet, kwam je voorlopig niet meer van haar af. Dus deden de meeste mensen alsof ze haar niet verstonden. Ik denk tenminste dat het zo ging. Het kan ook heel goed zijn geweest dat veel van mijn collega’s te beroerd waren om met haar te praten, enkel vanwege het feit dat ze ‘maar’ een schoonmaakster was. Die redenering ligt meer voor de hand, maar die hou ik graag voor onmogelijk.

Ursula kwam op vrijdags op onze kamer en elke vrijdag maakte ik een praatje met haar. Op mijn verjaardag (dinsdags) liet ik een gebakje voor haar achter. Waar velen klaagden over de bende die er na het schoonmaken achterbleef, bleek onze ruimte volgens mijn kamergenoten altijd onberispelijk. Op de vrijdag na mijn verjaardag ontdekte ik een bos bloemen op mijn bureau. Binnen twee uur was het hele gebouw ervan op de hoogte dat er een geheimzinnige bos bloemen op mijn bureau stond en er waren zelfs verdenkingen richting enkele oudere heren. Maar het bleek van Ursula afkomstig te zijn. De drie dikke zoenen kwamen later ook nog.

Op mijn volgende werkplek was er een oer-Hollandse  Truus die ook nogal praatgraag was en aan allerlei ziektes leed. De wijziging in samenstelling van de chemobox die ze wekelijks tot zich nam, nam ze elke vrijdag met me door. Ik denk dat ik meer van haar wist dan haar huisarts wist. Toen Nathan werd geboren kreeg ik een zelfgeborduurde slab, die in Nathans sentimentenarchief is beland. Dat leg ik hem later nog wel eens uit.

Op mijn huidige werkplek heb ik ook een bijzondere band met het schoonmaakteam. Mijn werkplek is nooit schoon geweest, maar door de goede connecties kan ik er op rekenen dat mijn kamer vanaf deze week goed in de was wordt gezet. Door de wekelijkse gesprekken weet ik dus dat schoonmakers door veel studenten als het vuil zelf worden gezien. Er zijn er zat die dat ook hardop uitspreken.

En wij hebben nu dus Sytske. Waar ik geen enkel raakvlak mee heb, maar die hopelijk wel goed kan schoonmaken. Ik heb er veel respect voor dat er mensen zijn die hun geld verdienen met het opruimen van alle rommel die anderen achter hun kont laten slingeren of moedwillig op de grond gooien omdat er toch wel iemand is die het voor je opruimt. Mensen die wc’s schoonmaken waar ze zelf nooit op zitten. Die haren uit putjes trekken, spetters van spiegels poetsen, halve maaltijden van je gasfornuis bikken, etc. Ik kan er thuis nog niet zo goed mee omgaan. De dag voordat Sytske komt, poets ik het hele huis zodat ze in elk geval geen vieze dingen aantreft en haar werk nog met enig plezier kan uitvoeren. Dat is vast niet haar bedoeling. Ik ga dus steeds minder m’n best doen om het voor haar schoon te houden, dan heeft ze meer eer van haar werk. En op een dag zeg ik dan misschien nog eens: “Ik ga even boodschappen doen. Als je straks nog tijd overhebt, mag je Jonas ook nog wel even doen”.

Uitstrijkje

Voordat je je goed en wel realiseert dat de dertig dichterbij komt, word je daar ruw door het overheidsapparaat op gewezen. Geen rekening houdend met de hoogsensitieven onder ons die iets meer verwerkingstijd nodig hebben om hun derde decennium achter zich te laten.

Ik had al eens eerder een uitnodiging gekregen voor zo’n onderzoek naar baarmoederhalskanker. Maar toen was ik in verwachting en dan krijg je tijdelijk uitstel van dit onderzoek. Het is natuurlijk helemaal geen moetje, zo’n check up, maar ach, waarom niet? Dus checkte ik eerst de langste url die ik ooit heb in getoetst: www.bevolkingsonderzoeknaarbaarmoederhalskanker.nl om me mee te laten sleuren in een boeiende animatie. Beter kon ik me niet voorbereiden.

De praktijk waar we regelmatig komen, heeft alleen vrouwelijke artsen. Niet dat mij dat echt wat uitmaakt, maar in een heel ver uiteinde van mijn hersenhoeveelheid zat een eencellig alterego van mij dat riep: toch wel fijn dat dit als vrouwen onder elkaar geregeld kan worden.Volgens de animatie zou de assistente het onderzoek trouwens doen.  Dus stapte ik goedsmoeds de praktijk binnen en liep daar tegen een jongeman op. Mevrouw D? vroeg de jongeman die de nieuwe huisarts bleek te zijn. Mijn eencellig alterego vermenigvuldigde zich in rap tempo. Ik mocht mee de praktijkruimte in. We voerden een boeiend gesprek.

- Eh… u komt hier voor een… eh…

- Een uitstrijkje.

- Juist. Maar u kent mij niet.

- Nee, ik heb u nog nooit gezien zelfs, ik heb geen idee wie u bent. U zou u zelfs kunnen voordoen als arts en het niet zijn. Dat kan allemaal, maar ik vertrouw u. Als u dat wilt, trek ik mijn broek voor u uit.

- Mmmmmmja. Maar ik bedoel u kent mij niet en wellicht laat u liever een uitstrijkje maken door iemand die u wel kent.

- Dat weet ik niet. De meeste mensen die ik ken kunnen geen uitstrijkjes maken, veel bekenden van me vertrouw ik dat echt niet toe. Bovendien heeft u er voor geleerd.

- Hahahahahahaha. Maar wat ik wil zeggen is dat u misschien wel een beter contact hebt met uw reguliere huisarts en dat kan deze ingreep prettiger maken.

- Bij mijn bevalling stonden acht mensen die ik nog nooit gezien had en die ik daarna ook nooit meer gezien heb. Zullen we beginnen?

- Eh ja, ik wil nog wat gegevens met u doornemen. U bent… eh… twee keer bevallen. Dus deze ingreep…eh…

- Is een fluitje van een cent, piece of cake, twee vingers in m´n neus. Kunnen we?

- Ja, als u daar uw broek even uittrekt.

En zo eindigde deze ochtend wijdbeens bij een onbekende jongeman op de bank. En terwijl hij bij me binnendrong, met een eendenbek welteverstaan, zetten we ons rare gesprek voort. Over studeren in Groningen, wonen in Fryslân, Friese accenten, harde s’en en andere rare noordelijke klanken. Tot het uitstrijkje in een potje zat en bestickerd en wel klaar stond voor het lab. (Ineens bedenk ik me nog iets raars. Alle monsters worden door mijn buurman opgehaald. Die rijdt met mjn uitstrijkje naar het lab. Dat is eigenlijk veel onverdraaglijker dan het uitstrijkje an sich.)

Over twee weken heb ik de uitslag, zei de nieuwe jonge dokter. En als er echt wat aan de hand is, dan bellen we wel eerder. Maar het ziet er goed uit, voegde de jongeman er aan toe. Dat had ik je ook wel kunnen vertellen, zei de jongeman die ik thuis aantrof.

Pokkekinderen

“We moeten ‘m etnisch registeren”, zegt KP, “hij hoort nu bij het gestippelde ras.” Inderdaad, het ziet er vreselijk uit. Onze Jonas, nog maar 69 centimeter kind, maar wat passen er al een hoop waterpokken op!

Er is een epidemie op Bambi. Er lopen allemaal pokkekinderen los rond. De ziektekiemen tieren er welig. En ik zie ook hoe dat komt. De kinderen vinden elkaars stippen leuk, ze wijzen ze een voor een aan. Nathan had ze twee weken geleden. Het leek Jonas over te slaan. Jonas, die in de zes maanden dat hij nu al bestaat, al dikke vrienden met dokter H. uit het Diak was geworden. Jonas bedankte nu eens een keer voor een virus.  

 Maar dokter H. was nog niet uit zicht. Gisterochtend stonden we weer bij het Diak. Dit keer met Nathan. Die liet zichzelf zondag wat ongelukkig van mijn schoot afglijden en hinkte met z’n rechterbeen. We zijn nog maar net in de gang van het Diak of we komen ‘m al tegen. Dokter H. is de beste kinderarts die ik kan verzinnen. Hij kan met kinderen hetzelfde als ik met een rubikskubus kan: alle onderdelen alle kanten op en ze toch weer in de goede vorm terugkrijgen. Hij trekt een wenkbrauw op, hij herkent ons. Ik wil het liefst hard weglopen. Hallo, zegt dokter H. een beetje verbaasd. Eh… dag dokter H., stotter ik. Ik schaam me, ik hoor hier helemaal niet te zijn. Met een kind van twee naar de röntgenafdeling, dat klopt gevoelsmatig niet.

We mogen in de wachtkamer gaan zitten. Ik heb niks bij me om Nathan te vermaken, bedenk ik me. Eerst mijn Moleskin maar tevoorschijn toveren. En een pen. Nathan tekent ‘auto’s'  door mijn commissie-aantekeningen met een pleidooi voor beter openbaar vervoer in onze provincie. De wachtkamer luistert geamuseerd naar Nathans commentaar. Ik teken een boot, een bus, een trein, een poes, een hond, een paard. Vijf minuten later moet ik weer iets nieuws verzinnen. We lezen een Autoweek. Daarna geef ik hem vijf visitekaartjes om mee te spelen. Maak er maar een trein van, zeg ik. Nathan legt de kaartjes in een treintje en is duidelijk tevreden met het resultaat. De wachtkamer kijkt geamuseerd toe. Dan gooit Nathan de kaartjes door elkaar. Er schiet een kaartje onder de stoel. Nathan speelt verder en roept ineens: issie? Ik wijs onder de stoel naar het kaartje. Er verschijnt een glimlach op Nathan gezicht. Tsss, fluistert een dame, hij kan al tellen. Nathan is er weer klaar mee. Ik teken twee stippen op de onderkant van een plastic koffiebeker en zet ‘m op m’n neus. Ik doe een varken na. Nathan snapt het en doet het na. Hij kijkt rond, de wachtende mensen lachen en proberen gesprekjes met ‘m aan te knopen.

Ik ontplof bijna van trots. Want we zitten daar best heel leuk met z’n tweetjes moeder en zoon te zijn. Nogal vredig allemaal, helemaal geen conflicten vanochtend, ik begrijp Nathan, hij begrijpt mij, het gaat er gewoon helemaal modelmatig aan toe. Ik hoef hem niet tot de orde te roepen, hij speelt lief, en ik voel me in balans, nogal beheersd, helemaal niet warrig en chaotisch vandaag. Ik ben helemaal in charge of alles. We zijn niet irritant of luidruchtig, we zijn samen de leukste moeder en zoon die je in een wachtkamer kunt treffen.

We mogen naar binnen, er worden twee foto’s gemaakt, we gaan de wachtkamer weer in. Hallo, zeggen de mensen. Hallo, zegt Nathan en hij zwaait erbij. Iedereen lacht vertederd. De röntgenoloog komt vertellen dat er een fractuurtje zit in het middenvoetsbeen. We gaan naar de ehbo. Het duurt eindeloos. Nathans geduld raakt op. Hij brult alles bij elkaar en daar zul je net dokter H. hebben. Hij komt even polsen waarom wij er weer zijn. Nou, zeg ik, ik had me voorgenomen voorlopig niet meer te komen, maar … en ik probeer uit te leggen dat ik er echt helemaal niks aan kon doen. Dokter H. vertrekt weer, want zijn telefoon gaat af. We mogen naar huis, de gipskamer kan niks met zo’n klein voetje.   Maar nu heb ik dokter H. nog niet uitgelegd… Bij de uitgang zie ik ‘m bellen, we zwaaien.

Ik begin weer een beetje hypochondrisch te raken. Want dit is nou weer zo’n geval waarin ik me in m’n hoofd haal dat ze me vast verdacht vinden. Zo’n moeder die haar kind mishandelt, zeer voorbeeldig lijkt, maar ondertussen op de tenen van haar kinderen gaat staan om zelf aandacht op te eisen. Een munchhausen-by-proxygeval. Laatst zag ik een reportage van Netwerk over zo’n verdenking en wat de gevolgen daarvan waren. Waterpokken kun je niet simuleren, dat is fijn.

Sinds ik moeder ben ken ik mijn diepste angsten. Dat mijn kinderen van me worden afgepakt is het ergste dat ik kan verzinnen. Kinderen hebben voelt als de ochtend na mijn 8e verjaardag en ik met mijn nieuwe rolschaatsen aan wakker werd: benen die ‘s ochtends loodzwaar aanvoelen, maar niets kan op tegen het geluksgevoel dat je die rolschaatsen echt hebt gekregen! Zes uur ‘s ochtends is loodzwaar, maar het is fantastisch om wakker te worden en te merken dat zij weer wakker zijn. Wat heerlijk, weer een dag met z’n allen!

Neeneeneeneenebukadnezar

Vandaag het peuterbureau voor het eerst bezocht. Voor het eerst is natuurlijk een onzinnige toevoeging, want het is gewoon het consultatiebureau met dezelfde dame die Jonas ook controleert. Maar omdat Nathan nu twee is en officieel een peuter is, is het consultatiebureau getransformeerd naar peuterbureau. Het is boeiend om te onderzoeken wat daar nu de reden voor is. Het is misschien iets psychologisch. Daar moet ik nog wat verder over nadenken.

Van tevoren namen KP en ik een lijstje door van goede en slechte opmerkingen. Het is goed om te zeggen dat hij zinnen van twee woorden kan zeggen, en woorden van minstens zes lettergrepen. En dat ‘ie weet wat een bloeddrukmeter is. Dat ’ie elke dag zeurt om kiwi’s en bananen en niet naar koekjes taalt. Dat ‘ie dagelijks twee glazen melk drinkt en voor de rest alleen maar water krijgt. En roosvicee alleen als er iemand jarig is. Dat het feest is als er een rijstwafel ter tafel komt. Dat ‘ie nooit tv kijkt. Dat ‘ ie het liefst de hele dag blokkentorens bouwt. Dat ‘ie erg veel contact legt met andere kinderen. Dat ‘ie op een been kan staan.

Het lijstje met dingen die je niet moet zeggen is minstens zo lang. Het is bijvoorbeeld niet goed om te zeggen dat ‘ie af en toe overdag nog een speen in krijgt omdat ‘ ie anders niet te temmen is. Het is niet goed om te zeggen dat we maar een keer per dag tandenpoetsen. Of dat we regelmatig vitamine D vergeten. Dat ‘ie bij de koelkast al jengelt om appelsap en dat we dat dan compromisloos geven. Dat onze keukenla uitpuilt van de Nijntje-, Dora-, Bob de Bouwer-  en Spongebobkoekjes. Dat we hem achter de laptop zetten met een Bob de Bouwer-dvd als ‘ ie ‘s ochtends om 5 uur ‘wakker’  roepend bij ons bed staat. ‘ Wakker’  is trouwens zo’n abstract begrip dat het wel weer goed is om dat te vermelden.

Maar het allerdomste zou zijn om te vertellen dat ‘ie Elly & Rikkert, Hanna Lam en Taize (Veni Creator Spiritus: ‘toeoeoeoeos’) mee kan zingen. Ja meezingen, dat is prima. Maar dan niet met dat geestelijke repertoire, want dan wekken we de indruk dat het kind een niet-neutrale opvoeding krijgt en voor je het weet staat ‘ ie dan onder toezicht van Jeugdzorg. Dus ‘neenee’ zeggen is heel gezond, maar ‘neeneeneenebukadnezar’ mag dan een hele volzin zijn voor eentje van twee en zeker zes lettergrepen hebben, maar het is wel zeer kwalijk voor zijn verdere ontwikkeling.

Mijn tandartsassistente deel 2

Gisteren zat ik weer bij de tandarts:

- Rubbertje plaatsen.

- Boven vastzetten.

- Een gecontourd matrixbandje alsjeblieft.

- Mag ik de cariësindicator?

- Flossen bij 46 E2.

- Geef Jonas z’n speen even.

- Nu 20 seconden drogen.

- Dankjewel.

De assistente blijft mij verbazen. Ze is écht van alle markten thuis!

Mijn tandartsassistente

Jeej, mijn nieuwe tandartsassistente weet exact hoe ik in elkaar steek: “Ik heb een plekje voor je op 23 februari, maar tegen die tijd heb je al zoveel smoezen bedacht dat je waarschijnlijk zult gaan afbellen. Kun je morgen ook?”

Wauw, we hebben nu al een klik.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.