“We moeten ‘m etnisch registeren”, zegt KP, “hij hoort nu bij het gestippelde ras.” Inderdaad, het ziet er vreselijk uit. Onze Jonas, nog maar 69 centimeter kind, maar wat passen er al een hoop waterpokken op!
Er is een epidemie op Bambi. Er lopen allemaal pokkekinderen los rond. De ziektekiemen tieren er welig. En ik zie ook hoe dat komt. De kinderen vinden elkaars stippen leuk, ze wijzen ze een voor een aan. Nathan had ze twee weken geleden. Het leek Jonas over te slaan. Jonas, die in de zes maanden dat hij nu al bestaat, al dikke vrienden met dokter H. uit het Diak was geworden. Jonas bedankte nu eens een keer voor een virus.
Maar dokter H. was nog niet uit zicht. Gisterochtend stonden we weer bij het Diak. Dit keer met Nathan. Die liet zichzelf zondag wat ongelukkig van mijn schoot afglijden en hinkte met z’n rechterbeen. We zijn nog maar net in de gang van het Diak of we komen ‘m al tegen. Dokter H. is de beste kinderarts die ik kan verzinnen. Hij kan met kinderen hetzelfde als ik met een rubikskubus kan: alle onderdelen alle kanten op en ze toch weer in de goede vorm terugkrijgen. Hij trekt een wenkbrauw op, hij herkent ons. Ik wil het liefst hard weglopen. Hallo, zegt dokter H. een beetje verbaasd. Eh… dag dokter H., stotter ik. Ik schaam me, ik hoor hier helemaal niet te zijn. Met een kind van twee naar de röntgenafdeling, dat klopt gevoelsmatig niet.
We mogen in de wachtkamer gaan zitten. Ik heb niks bij me om Nathan te vermaken, bedenk ik me. Eerst mijn Moleskin maar tevoorschijn toveren. En een pen. Nathan tekent ‘auto’s' door mijn commissie-aantekeningen met een pleidooi voor beter openbaar vervoer in onze provincie. De wachtkamer luistert geamuseerd naar Nathans commentaar. Ik teken een boot, een bus, een trein, een poes, een hond, een paard. Vijf minuten later moet ik weer iets nieuws verzinnen. We lezen een Autoweek. Daarna geef ik hem vijf visitekaartjes om mee te spelen. Maak er maar een trein van, zeg ik. Nathan legt de kaartjes in een treintje en is duidelijk tevreden met het resultaat. De wachtkamer kijkt geamuseerd toe. Dan gooit Nathan de kaartjes door elkaar. Er schiet een kaartje onder de stoel. Nathan speelt verder en roept ineens: issie? Ik wijs onder de stoel naar het kaartje. Er verschijnt een glimlach op Nathan gezicht. Tsss, fluistert een dame, hij kan al tellen. Nathan is er weer klaar mee. Ik teken twee stippen op de onderkant van een plastic koffiebeker en zet ‘m op m’n neus. Ik doe een varken na. Nathan snapt het en doet het na. Hij kijkt rond, de wachtende mensen lachen en proberen gesprekjes met ‘m aan te knopen.
Ik ontplof bijna van trots. Want we zitten daar best heel leuk met z’n tweetjes moeder en zoon te zijn. Nogal vredig allemaal, helemaal geen conflicten vanochtend, ik begrijp Nathan, hij begrijpt mij, het gaat er gewoon helemaal modelmatig aan toe. Ik hoef hem niet tot de orde te roepen, hij speelt lief, en ik voel me in balans, nogal beheersd, helemaal niet warrig en chaotisch vandaag. Ik ben helemaal in charge of alles. We zijn niet irritant of luidruchtig, we zijn samen de leukste moeder en zoon die je in een wachtkamer kunt treffen.
We mogen naar binnen, er worden twee foto’s gemaakt, we gaan de wachtkamer weer in. Hallo, zeggen de mensen. Hallo, zegt Nathan en hij zwaait erbij. Iedereen lacht vertederd. De röntgenoloog komt vertellen dat er een fractuurtje zit in het middenvoetsbeen. We gaan naar de ehbo. Het duurt eindeloos. Nathans geduld raakt op. Hij brult alles bij elkaar en daar zul je net dokter H. hebben. Hij komt even polsen waarom wij er weer zijn. Nou, zeg ik, ik had me voorgenomen voorlopig niet meer te komen, maar … en ik probeer uit te leggen dat ik er echt helemaal niks aan kon doen. Dokter H. vertrekt weer, want zijn telefoon gaat af. We mogen naar huis, de gipskamer kan niks met zo’n klein voetje. Maar nu heb ik dokter H. nog niet uitgelegd… Bij de uitgang zie ik ‘m bellen, we zwaaien.
Ik begin weer een beetje hypochondrisch te raken. Want dit is nou weer zo’n geval waarin ik me in m’n hoofd haal dat ze me vast verdacht vinden. Zo’n moeder die haar kind mishandelt, zeer voorbeeldig lijkt, maar ondertussen op de tenen van haar kinderen gaat staan om zelf aandacht op te eisen. Een munchhausen-by-proxygeval. Laatst zag ik een reportage van Netwerk over zo’n verdenking en wat de gevolgen daarvan waren. Waterpokken kun je niet simuleren, dat is fijn.
Sinds ik moeder ben ken ik mijn diepste angsten. Dat mijn kinderen van me worden afgepakt is het ergste dat ik kan verzinnen. Kinderen hebben voelt als de ochtend na mijn 8e verjaardag en ik met mijn nieuwe rolschaatsen aan wakker werd: benen die ‘s ochtends loodzwaar aanvoelen, maar niets kan op tegen het geluksgevoel dat je die rolschaatsen echt hebt gekregen! Zes uur ‘s ochtends is loodzwaar, maar het is fantastisch om wakker te worden en te merken dat zij weer wakker zijn. Wat heerlijk, weer een dag met z’n allen!