Praatpaal

Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat het vrij abnormaal, zo niet bizar, is dat je continu op straat wordt aangeklampt door mensen die willen dat je voor hen even een jurkje past. Tot een paar jaar geleden vond ik dat echt heel gewoon, omdat het me regelmatig overkwam, maar KP liet me inzien dat het eigenlijk wel een beetje vreemd is. Ik denk nu dat dat een eufemisme is.

Natuurlijk, je hebt het geval ‘zou je even een foto van ons willen maken?’ En je hebt het geval ‘vanaf welk perron vertrekt de trein naar Utrecht?’ en ’Is dit eigenlijk wel de trein naar Leeuwarden?’ Niks mis mee. Je hebt ook nog een categorie ‘Heeft u tien euro voor me, want mijn oma is net overreden door een zweefvliegtuig en ik moet haar begrafenis nog halen, maar mijn portemonnee is net gestolen’.  Daar kun je beter niet positief op reageren, want het ligt voor de hand dat er misbruik van je wordt gemaakt.

Ik ken andere gevallen. Als kind haalde ik patatjes voor wildvreemden bij de snackbar om de hoek, ik haalde op verzoek veiligheidsspelden uit de naaidoos van m’n moeder als de punkers van het kraakpand-verderop daar behoefte aan hadden, mensen vroegen me hun hond uit te laten, kastanjes te rapen voor reumatische bejaarden. Er was zelfs een bejaarde waar ik wildekastanjepuree voor kookte. Ik denk dat ik als kind hele dagen besteedde aan allerlei verzoeken. Ik had er geld voor moeten vragen en ik had nooit meer hoeven werken.

Later overkwam het me regelmatig dat mensen me vroegen om even een jurkje te passen, of een broek, of een t-shirt, of een muts, omdat ik de maten had van een dochter, een zusje, een vriendin, een kleinkind. Mensen in de trein die hele levensverhalen bij me neerlegden. Mijn moeder had dat trouwens ook. Als mijn vader een psychisch geval aantrof bij een verhuizing dan vertelde hij een goed verhaal over m’n moeder en dan hadden we in no-time een soort aanloopkat. Wat het leven nogal afwisselend en erg grappig maakte, want we hadden steeds boeiende gevallen aan onze eettafel zitten.

Maar af en toe word ik het een beetje zat. Want het vreet zo veel van m’n tijd. Gisteren bij de kringloopwinkel. Ik rommel wat door dozen, op zoek naar mooie knopen. Er begint iemand tegen me aan te praten. Dat ze nooit lippenstift van de kringloop zou kopen. En onderbroeken, ook zoiets. Dat is pas vies, tweedehands onderbroeken. Of beha’s, bijna net zo erg. En van het een komt het ander en kletst ze over haar dochter die een studieraakvlak met mij heeft en een zoon die niet gemotiveerd in het leven staat en er af en toe wel een eind aan zou willen maken omdat hij even niet meer weet welke studie hij moet doen. Wat moet ik hiermee?

En na vandaag weet ik dat het genetisch moet zijn, want Nathan heeft het ook. Overal waar we komen lopen er mensen tegen dat kind aan te lullen en zolang Nathan met die grote blauwe ogen maar terug blijft staren, blijft die verbinding dus wel in stand. En af en toe ontstaat er dan een gesprek en kletst Nathan terug. Ik moet er verder maar geen maatschappelijke taak of kip met gouden eieren in zoeken. We zijn gewoon levende praatpalen.

Dood

De middelbare school was niet de beste fase van m’n leven. Te lang, te dun, te slungelig, te verlegen, te bang voor het vwo, te slim voor de havo, te angstig, te gereformeerd, te beschermd. En te weinig zelfvertrouwen, te weinig lef, te weinig… Foto’s uit die tijd ga ik het liefst uit de weg, de enkele die ik heb zijn goed weggestopt en als ons huis afbrandt red ik ze niet.

De mensen die het op de middelbare school wel maakten, vrienden hadden, uitgingen, leuke kleren droegen, lef hadden, interessant waren (of deden), sociaal waren, snel netwerkten, iets heel goed konden zoals een instrument bespelen of een sport, die kortom lekker in hun vel leken en op mijn stilzwijgende jaloezie konden rekenen… die mensen zijn nu ook gewoon intercedent op een uitzendbureau, beleidsmedewerker bij een gemeente, adviseur marketing bij een uitgeverij, consulent van weet ik veel wat, vertegenwoordiger in haarspeldjes, fulltime thuis bij de kinderen of ergens between jobs. En sommige mensen zijn al dood. Ik ben er stil van.

Minimalisme

Als je naar het journaal kijkt dan heb je twee items en die staan loodrecht op elkaar. Je hebt de derde wereld waar honger en droogte heerst. Waar kinderen in de armen van hun moeders sterven en moeders geen tranen meer hebben om te rouwen. En je hebt Europa waar alles in de ban is van de financiële schuldencrisis en de boodschap die ik daaruit oppik is dat consumeren de beste oplossing is om de crisis in de tang te houden.

Als ik naar Afrika kijk dan roept dat om een financiële bijdrage, want op een andere manier weet ik niet hoe ik van waarde kan zijn. Geld dus naar Afrika. En de vraag of dat geld wel op de goede plek aankomt zou me niet bezig mogen houden. Alsof het wel goed terecht komt als ik het op mijn eigen bankrekening laat staan. Ik vind dat iedereen die zich afvraagt of het wel zin heeft om geld te geven aan de derde wereld zich ook zou moeten afvragen wat plan B voor dat geld dan wel niet is en of dat dan een betere bestemming is.

En als ik dan begrijp dat het voor mijn eigen welvaart beter is om nog wat meer geld rond te pompen (en geld naar Afrika zet in dit opzicht geen zoden aan de dijk), dan is dat na het journaal het enige wat blijft hangen. Niet omdat ik zo’n slecht geheugen heb, maar omdat het nogal selectief werkt.

Kortom: twee issues die nogal wat verwarring bij mij zaaien en die ik er even niet bij kan hebben, omdat ons nieuwe huis over pakweg drie maanden wordt opgeleverd. In zes jaar tijd wordt dit onze zesde woning en ik mag lijen dan we er een poosje blijven. Dat mijn broers een verhuisbedrijf hebben is een zegen voor dit nomadenbestaan, maar ik wil graag wat meer vastigheid. Er moet dus iets meer steady worden ingericht. KP wil alles minimalistisch en functioneel. Dat betekent in zijn geval een vloer in betonlook en zo weinig mogelijk meubels. Ik wil hout en minimaal met een dikke plus. Mijn nieuwe, maar originele Thonet 233 moet bijvoorbeeld ook ergens staan en niet om op te zitten. En die voorraad woonkussens moet ergens neergelegd worden en ik heb nog meer dingen in mijn hoofd die ik hoe dan ook ga aanschaffen, zelfs zonder overleg. Nu we eindelijk wat kleuren voor de muren hebben bedacht krijg ik een mail van Flexa waarin staat dat de kleur niet meer wordt aangeboden wegens een afnemende consumentenvraag. Wat nu?

‘Nu’ leidt voornamelijk tot hebberigheid, hebzucht, willen hebben en moeten hebben, verlangen, kopenkopenkopen.

Eeuwigdurend probleem. De strijd tussen problemen die niet echt problemen zijn en problemen die wel degelijk problemen zijn. Ik bevind me overigens in goed gezelschap. Op een van de groepen op Linkedin waar ik lid van ben maken mensen zich druk om de vraag of heren de bovenste twee knoopjes van hun overhemd open mogen hebben. In Trouw lees ik op zaterdag het allereerst Moderne manieren waarin mensen vragen stellen over passende reacties op irritante schoonmoeders en of je je glas nou bij de kelk of bij de steel vast moet houden.

Waar het dus in het kort op neerkomt is dat ik prima in staat ben om mijn eigen hebzucht te relativeren en in het breder kader te zetten van de grotere crises in de wereld. Ik heb hiermee dus aangetoond dat ik wel degelijk besef dat mijn problemen geen problemen zijn en dat er wel belangrijkere dingen in de wereld spelen. En dat ik in dit licht ook tevreden moet kunnen zijn met een bank die ik voor een habbekrats van Marktplaats pluk. En misschien is dat ook wel zo.  Misschien moeten we minimalisme opnieuw voor onszelf definiëren. Kunnen we gelukkig zijn met minder? Of worden we minder gelukkig van minder?

Waar was jij?

Zo tegen elf september begint het ineens weer te spelen. Dan willen mensen weten waar je was toen de vliegtuigen de WTC-torens in New York doorboorden. Ik was net uit college naar KP’s studentenhuis gefietst, KP was niet thuis, ik zette koffie en ging op z’n bank zitten, deed de tv aan. Volgens mij was er een extra uitzending op het journaal en ik zag een vliegtuig in een toren vliegen. New York. Ik zapte naar CNN. Op de trap stommelde iemand naar boven. O nee, Jasper. Jasper hijgde iets van een vliegtuig in een toren en of ik alsjeblieft CNN aan wilde zetten, want dat kon hij niet ontvangen.

Jasper was een nogal apart geval. Hij deed al jaren over de MER en niemand verwachtte nog dat hij dat diploma ooit zou ontvangen. Als hij je eenmaal gedetecteerd had moest je wegwezen, rennen, zoekraken en voorlopig niet meer terugkomen. Als Jasper eenmaal begon te praten dan hield ‘ie nooit meer op. Op een dag ontdekten we dat hij al een week niet op z’n kamer was geweest. Onze grootste vrees was dat ‘ie een week geleden iemand tegen was gekomen, waar hij waarschijnlijk nu nog tegen stond te praten. En op deze middag had Jasper zich in een mum van tijd in een stoel voor CNN genesteld, terwijl er een wereldgebeurtenis gaande was. Op dat moment dacht ik aan dit moment. Dat je vertelt waar je op dat moment was en met wie, want dat er iets groots gebeurde was al gauw duidelijk.

Op CNN zagen we live het tweede vliegtuig binnenvliegen. En Jasper analyseerde en kletste dat het een lieve lust was en ik dacht na over hoe ik hem kon lozen. Ik schonk koffie voor ons in en  registreerde de beelden. Tegen vijf uur deelde ik mee dat ik boodschappen ging doen. Jasper vond dat prima, vroeg of ‘ie met ons mee kon eten en bleef zitten waar ‘ie zat. Zo is de aanslag op de Twin Towers voor mij onlosmakelijk verbonden met KP’s studentenkamer en Jasper, z’n huisgenoot.

En dan nog wat andere collectief emotionele dieptepunten: de moord op Pim Fortuijn zit in mijn hersens in hetzelfde laatje als pannenkoeken eten met Robert die eigenlijk niet van pannenkoeken houdt en die avond eigenlijk bij zijn oma zou eten, maar ons een aantrekkelijker alternatief vond en zijn oma afbelde. Koninginnedag 2009 maakten wij mee in onze auto tussen Heerenveen en Mallorca. We schakelden op het juiste moment in en dachten in een hoorspel te zijn beland. Na een minuut of wat beseften we dat het realiteit was. Tijdens de moord op Theo van Gogh zat ik op de VU bij een hoorcollege van een hoofddocent van wie ik de naam kwijt ben. Maar dat ik het als eerste wist, onthou ik dan wel weer. Toen Michael Jackson doodging had ik het gevoel dat ik dat al lang wist. Maar dat kwam omdat ik midden in de nacht nog nu.nl had gecheckt en het er al wel een beetje aan zat te komen. Lady Di overleed toen ik een weekend bij m’n ouders logeerde. Het greep m’n moeder nogal aan, daar was ik weer verbaasd over, en dat is alles wat ik me nog kan herinneren. En nog verder terug: toen de oorlog in Irak uitbrak zat ik op de basisschool en kreeg ik er spontaan diarree van. En de Bijlmerramp maakte ik mee in pyama, via de radio want we hadden geen tv.

Door dat laatste heb ik geen herinneringen aan de val van de muur. Dat is jammer, want dat was een zeldzaam hoogtepunt. Van collectief emotionele hoogtepunten lijken er veel minder te zijn. Dan kom je uit op WK Voetbal, de Wimbledontitel voor Richard Krajicek, de eerste man op de maan, en dan weet ik even niet meer. Morgen vieren we dat m’n moeder zeventig is geworden. Dat is een hoogtepunt, maar weer niet collectief. Het zou een verrassing zijn als het wat collectiever kon. Dus als je nog een leuke wens voor m’n moeder hebt dan mag je hem hier plaatsen. Mijn moeder is internetloos en ik vind haar nieuwe leeftijd een mooi uitgangspunt om haar met de tijd mee te laten gaan. Waar was jij….?

Pokkekinderen

“We moeten ‘m etnisch registeren”, zegt KP, “hij hoort nu bij het gestippelde ras.” Inderdaad, het ziet er vreselijk uit. Onze Jonas, nog maar 69 centimeter kind, maar wat passen er al een hoop waterpokken op!

Er is een epidemie op Bambi. Er lopen allemaal pokkekinderen los rond. De ziektekiemen tieren er welig. En ik zie ook hoe dat komt. De kinderen vinden elkaars stippen leuk, ze wijzen ze een voor een aan. Nathan had ze twee weken geleden. Het leek Jonas over te slaan. Jonas, die in de zes maanden dat hij nu al bestaat, al dikke vrienden met dokter H. uit het Diak was geworden. Jonas bedankte nu eens een keer voor een virus.  

 Maar dokter H. was nog niet uit zicht. Gisterochtend stonden we weer bij het Diak. Dit keer met Nathan. Die liet zichzelf zondag wat ongelukkig van mijn schoot afglijden en hinkte met z’n rechterbeen. We zijn nog maar net in de gang van het Diak of we komen ‘m al tegen. Dokter H. is de beste kinderarts die ik kan verzinnen. Hij kan met kinderen hetzelfde als ik met een rubikskubus kan: alle onderdelen alle kanten op en ze toch weer in de goede vorm terugkrijgen. Hij trekt een wenkbrauw op, hij herkent ons. Ik wil het liefst hard weglopen. Hallo, zegt dokter H. een beetje verbaasd. Eh… dag dokter H., stotter ik. Ik schaam me, ik hoor hier helemaal niet te zijn. Met een kind van twee naar de röntgenafdeling, dat klopt gevoelsmatig niet.

We mogen in de wachtkamer gaan zitten. Ik heb niks bij me om Nathan te vermaken, bedenk ik me. Eerst mijn Moleskin maar tevoorschijn toveren. En een pen. Nathan tekent ‘auto’s'  door mijn commissie-aantekeningen met een pleidooi voor beter openbaar vervoer in onze provincie. De wachtkamer luistert geamuseerd naar Nathans commentaar. Ik teken een boot, een bus, een trein, een poes, een hond, een paard. Vijf minuten later moet ik weer iets nieuws verzinnen. We lezen een Autoweek. Daarna geef ik hem vijf visitekaartjes om mee te spelen. Maak er maar een trein van, zeg ik. Nathan legt de kaartjes in een treintje en is duidelijk tevreden met het resultaat. De wachtkamer kijkt geamuseerd toe. Dan gooit Nathan de kaartjes door elkaar. Er schiet een kaartje onder de stoel. Nathan speelt verder en roept ineens: issie? Ik wijs onder de stoel naar het kaartje. Er verschijnt een glimlach op Nathan gezicht. Tsss, fluistert een dame, hij kan al tellen. Nathan is er weer klaar mee. Ik teken twee stippen op de onderkant van een plastic koffiebeker en zet ‘m op m’n neus. Ik doe een varken na. Nathan snapt het en doet het na. Hij kijkt rond, de wachtende mensen lachen en proberen gesprekjes met ‘m aan te knopen.

Ik ontplof bijna van trots. Want we zitten daar best heel leuk met z’n tweetjes moeder en zoon te zijn. Nogal vredig allemaal, helemaal geen conflicten vanochtend, ik begrijp Nathan, hij begrijpt mij, het gaat er gewoon helemaal modelmatig aan toe. Ik hoef hem niet tot de orde te roepen, hij speelt lief, en ik voel me in balans, nogal beheersd, helemaal niet warrig en chaotisch vandaag. Ik ben helemaal in charge of alles. We zijn niet irritant of luidruchtig, we zijn samen de leukste moeder en zoon die je in een wachtkamer kunt treffen.

We mogen naar binnen, er worden twee foto’s gemaakt, we gaan de wachtkamer weer in. Hallo, zeggen de mensen. Hallo, zegt Nathan en hij zwaait erbij. Iedereen lacht vertederd. De röntgenoloog komt vertellen dat er een fractuurtje zit in het middenvoetsbeen. We gaan naar de ehbo. Het duurt eindeloos. Nathans geduld raakt op. Hij brult alles bij elkaar en daar zul je net dokter H. hebben. Hij komt even polsen waarom wij er weer zijn. Nou, zeg ik, ik had me voorgenomen voorlopig niet meer te komen, maar … en ik probeer uit te leggen dat ik er echt helemaal niks aan kon doen. Dokter H. vertrekt weer, want zijn telefoon gaat af. We mogen naar huis, de gipskamer kan niks met zo’n klein voetje.   Maar nu heb ik dokter H. nog niet uitgelegd… Bij de uitgang zie ik ‘m bellen, we zwaaien.

Ik begin weer een beetje hypochondrisch te raken. Want dit is nou weer zo’n geval waarin ik me in m’n hoofd haal dat ze me vast verdacht vinden. Zo’n moeder die haar kind mishandelt, zeer voorbeeldig lijkt, maar ondertussen op de tenen van haar kinderen gaat staan om zelf aandacht op te eisen. Een munchhausen-by-proxygeval. Laatst zag ik een reportage van Netwerk over zo’n verdenking en wat de gevolgen daarvan waren. Waterpokken kun je niet simuleren, dat is fijn.

Sinds ik moeder ben ken ik mijn diepste angsten. Dat mijn kinderen van me worden afgepakt is het ergste dat ik kan verzinnen. Kinderen hebben voelt als de ochtend na mijn 8e verjaardag en ik met mijn nieuwe rolschaatsen aan wakker werd: benen die ‘s ochtends loodzwaar aanvoelen, maar niets kan op tegen het geluksgevoel dat je die rolschaatsen echt hebt gekregen! Zes uur ‘s ochtends is loodzwaar, maar het is fantastisch om wakker te worden en te merken dat zij weer wakker zijn. Wat heerlijk, weer een dag met z’n allen!

De metafoor voor Rita Verdonk

Bord voor m’n kop

“Te groot.” “Te klein.” “Mijn moeder in de jaren tachtig.” “Mijn zus toen ze zestien was.” “Goeie bril, maar verkeerde kleur.” ”Verkopen ze dit nog steeds?” “Kan ik hier nu ook beter mee ruiken?”

Ik sta met een onvermoeibare brillenverkoper brillen te passen. Ik draag al jaren lenzen, maar ik wil wel weer eens een bril op. Mijn probleem met brillen is dat ik er vier wil die ik kan afwisselen, maar dan dreigt het financieel nogal uit de klauwen te lopen. En, mijzelf kennende, draag ik die brillen pas vanaf een uur of vier en alleen bij passende gelegenheden. En met een bijpassende outfit, die ik dan weer graag in meervoud aanschaf zodra er een nieuwe bril is. En vier brillen… je snapt ‘m. Dus eerst maar op zoek naar eentje.

De brilmode is momenteel: nogal groot. Was mijn uitdaging bij mijn vorige bril om een zo klein mogelijke te kopen, nu kan ik gerust zoeken naar de allergrootste. De brillenman vindt dat ik dat wel kan hebben, zo’n hele grote. Dus trekt ‘ie de een na de ander uit de la en van de planken en daar staan we dan. Voor de spiegel, met een groter groeiend publiek, want de collega die oogmetingen doet is wat aan de late kant. Ik associeer vrolijk verder. “Jee, in Afrika dragen ze dit ook. Als ik nu zo’n pleister in het midden doe is ‘ie helemaal af.” “Te rond.” “Het mag wel wat sprekender.” “TUTTIG!” “Nee, geen goud op de pootjes, niks voor mij.” “Witte poten, da’s echt ordinair. Dat heeft ie-de-reen. Een Armani zeker?”

De brillenman moet er wat om lachen: Armani, dat verkoop ik echt niet. Dat is zooooo….Ordinair? Ja, zegt de brillenverkoper, een beetje asociaal zelfs. De brillenman en ik delen dezelfde visie. Ik trek intussen een blik Bekende Nederlanders open. ”Bart Chabot.” ”Meneer Aart. Te streng.” “Annie MG Schmidt. Kunnen hier wel dunne glazen in? Ik heb een lichte afwijking hoor.” “Bleeeeeh, Catherine Keijl op haar dieptepunt.” “Had Patricia Paaij laatst niet zo’n ding op haar geraamte?”

De brillenman laat al mijn associaties gelaten over zich heen gaan. Geeft me de ene keer gelijk, de andere keer volgt ‘ie me niet meer. Niet van z’n stuk te brengen. Tot ik over ga op politieke partijen. “Brrr, heel erg partij van de arbeid, dit modelletje.” “Waaat?” De ogen van de brillenman blijven net achter z’n glazen hangen. ” Hoe kun je dit nou pee van de aa vinden?” “Ik weet het niet”, zeg ik, “een beetje pee van de aa, eigenlijk ook een beetje libelle, niks voor mij. Het mag wel wat liberaler.” De brillenman dreigt zijn geduld te verliezen. ” Dit is het duurste merk dat ik in de winkel aanbied.  Italiaans design. Dat kunnen ze zich bij de pee van de aa helemaal niet veroorloven.” ” Het is het motiefje, de kleuren, ik weet het ook niet…” De brillenman vermant zich: ” Nou, dit montuur kan ik dus nooit meer zonder jouw associatie verkopen.” Die zien we dus in de uitverkoop wel weer terug.

“Nou”, zegt de brillenverkoper opeens, “ik denk dat je iets meer Geert Wilders nodig hebt.”  Ik denk even na, die heeft toch helemaal geen bril? Ik kijk ‘m vragend aan: “Draagt Wilders een bril dan?” ” Nee”, zegt de brillenverkoper, “geen bril, wel een bord. Zou je ook eens kunnen proberen.”

Bizar

Ik word gevonden op de zoekwoorden ‘K3 blote tieten’. Da’s best bizar. Niet dat ik daar op gevonden word, maar dat er mensen zijn die dat zoeken: blote tieten van K3.

Invasie der baby’s

Er is echt een invasie op handen. Van baby’s. Onze oud-buuven vonden Nathan blijkbaar zo leuk dat ze nu beiden een kindje verwachten. Mijn vriendinnetje Maartje verwacht er eentje in oktober, oud-collega Simone met de kerst en Tineke van Frank ook ergens in december. Vergeet ik nu nog iemand? Bij allemaal de eerste overigens, en ik denk dat Nathan hen echt heeft doen inzien dat baby’s ook leuk kunnen zijn. En niet alleen zuipend, poepend en slapend door het leven gaan,. Nouja, een paar maanden dan…

Mobiliteit

Mijn fiets staat bij de garage. Onze auto staat in Giethoorn. Nathan ligt in z’n bedje. Ik ga vanavond in de stad wat eten. Maar dan heb ik mijn fiets nodig. Wat nu?

De garage is op 45 minuten loopafstand. Dat is met de buggy wel te doen. Maar als ik met de buggy bij mijn fiets ben, dan staat de buggy bij de garage. En de auto nog steeds in Giethoorn en mijn fiets thuis.

Extra complicatie: op de fiets zit geen fietsstoeltje. Het stoeltje staat in de berging. Maar met een buggy en een fietsstoeltje 45 minuten naar de garage lopen klinkt ook niet goed.

Nu heb ik een rugdrager waar Nathan in kan zitten. Nathan brult dan wel 45 minuten aan een stuk door, waarschijnlijk lijdt hij aan hoogtevrees. Dat is een marteling die in internationale verdragen niet meer is toegestaan. Laat staan dat ik mezelf dat vrijwillig aandoe. Bovendien ben ik dan in het restaurantje niet meer in de stemming.

Het restaurantje staat in een wijk waar ik met de bus bijna 45 minuten over ga doen en als ik uit zo’n vieze bus kom heb ik geen honger meer. En niks bestellen is (1) volstrekt niet uit te leggen en (2) best raar in een restaurant.

Hmmm, hier ga ik nog even wat langer over nadenken.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.