Praatpaal
28 januari 2012 Geef een reactie
Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat het vrij abnormaal, zo niet bizar, is dat je continu op straat wordt aangeklampt door mensen die willen dat je voor hen even een jurkje past. Tot een paar jaar geleden vond ik dat echt heel gewoon, omdat het me regelmatig overkwam, maar KP liet me inzien dat het eigenlijk wel een beetje vreemd is. Ik denk nu dat dat een eufemisme is.
Natuurlijk, je hebt het geval ‘zou je even een foto van ons willen maken?’ En je hebt het geval ‘vanaf welk perron vertrekt de trein naar Utrecht?’ en ’Is dit eigenlijk wel de trein naar Leeuwarden?’ Niks mis mee. Je hebt ook nog een categorie ‘Heeft u tien euro voor me, want mijn oma is net overreden door een zweefvliegtuig en ik moet haar begrafenis nog halen, maar mijn portemonnee is net gestolen’. Daar kun je beter niet positief op reageren, want het ligt voor de hand dat er misbruik van je wordt gemaakt.
Ik ken andere gevallen. Als kind haalde ik patatjes voor wildvreemden bij de snackbar om de hoek, ik haalde op verzoek veiligheidsspelden uit de naaidoos van m’n moeder als de punkers van het kraakpand-verderop daar behoefte aan hadden, mensen vroegen me hun hond uit te laten, kastanjes te rapen voor reumatische bejaarden. Er was zelfs een bejaarde waar ik wildekastanjepuree voor kookte. Ik denk dat ik als kind hele dagen besteedde aan allerlei verzoeken. Ik had er geld voor moeten vragen en ik had nooit meer hoeven werken.
Later overkwam het me regelmatig dat mensen me vroegen om even een jurkje te passen, of een broek, of een t-shirt, of een muts, omdat ik de maten had van een dochter, een zusje, een vriendin, een kleinkind. Mensen in de trein die hele levensverhalen bij me neerlegden. Mijn moeder had dat trouwens ook. Als mijn vader een psychisch geval aantrof bij een verhuizing dan vertelde hij een goed verhaal over m’n moeder en dan hadden we in no-time een soort aanloopkat. Wat het leven nogal afwisselend en erg grappig maakte, want we hadden steeds boeiende gevallen aan onze eettafel zitten.
Maar af en toe word ik het een beetje zat. Want het vreet zo veel van m’n tijd. Gisteren bij de kringloopwinkel. Ik rommel wat door dozen, op zoek naar mooie knopen. Er begint iemand tegen me aan te praten. Dat ze nooit lippenstift van de kringloop zou kopen. En onderbroeken, ook zoiets. Dat is pas vies, tweedehands onderbroeken. Of beha’s, bijna net zo erg. En van het een komt het ander en kletst ze over haar dochter die een studieraakvlak met mij heeft en een zoon die niet gemotiveerd in het leven staat en er af en toe wel een eind aan zou willen maken omdat hij even niet meer weet welke studie hij moet doen. Wat moet ik hiermee?
En na vandaag weet ik dat het genetisch moet zijn, want Nathan heeft het ook. Overal waar we komen lopen er mensen tegen dat kind aan te lullen en zolang Nathan met die grote blauwe ogen maar terug blijft staren, blijft die verbinding dus wel in stand. En af en toe ontstaat er dan een gesprek en kletst Nathan terug. Ik moet er verder maar geen maatschappelijke taak of kip met gouden eieren in zoeken. We zijn gewoon levende praatpalen.